Verhaal | De kameleon en de vuursalamander


Er was eens een kameleon die een vuursalamander wou zijn.
Op een lichtblauwe maandagmorgen was hij een allerliefst salamandertje gepasseerd dat hem een vuurtje had gevraagd, en meteen had zijn lijf gereageerd. Hij had haar kleurtjes geïmiteerd, haar lichaam in zich opgenomen en weerspiegeld en, voorwaar, hij had gemerkt dat het hem paste. Dat is mijn lijf, ontdekte hij met een geschikte schok, en hij viel ter plaatse omver.
Toen hij enkele uren later weer tot zichzelf kwam, kwam hij niet meer tot zichzelf, want hij was helemaal niet meer zo zeker wat zichzelf was.
“Wat ben ik?”, vroeg hij aan de boom die hem ’s morgens vaak op wandelingen vergezelde. De boom hield zijn antwoord in beraad. De boom had geleerd om niet impulsief te antwoorden op vragen van dichters.
”Een boom?”, antwoordde hij twijfelend. De kameleon zag er immers altijd als een boom uit.
”Een boom van een kameleon”, interpreteerde de kameleon en hij stapte verbijsterd verder. Hij wist immers dat bomen niet kunnen liegen – het ligt niet in hun aarde – maar toch klopte het niet. Diep binnenin hem voelde hij het vuursalamandertje branden. Hij wist dat hij een zij was, want hij had zich helemaal in haar weerspiegeld geweten en omgekeerd. In die fractie van een bladknopontspruiting had hij doorgehad wie hij werkelijk was.

“Ik ben haar”, riep hij en het hele bos hield even zijn adem in. De struiken keken de olifanten in de ogen, de aap bleef middenin zijn sprong hangen uit respect en zelfs de bladeren ritselden zo stil mogelijk. De stilte bleef welgeteld vier dagen hangen tot ze zo ongemakkelijk zat dat de olifant wel iets moest doen.
”Hm” zei de olifant die zorgvuldig maar toch doordacht zijn woorden koos uit het valiesje dat hij voor die gelegenheden met zich meedroeg.
”Euh, kijk”, vervolgde hij, “jij bent een olifantje.”
”Niks van”, viel de boa hem nu in de rede, “je bent een boaatje.”
”Nee, een mier.”
”Een bosaap.”
”Een stekinosaurus.”
”Een hansworst.”
Het hele bos, dat gisteren, eergisteren, en de dagen ervoor zo spaarzaam met lawaai had omgesprongen, liet het er allemaal in een keer uit. Het kletterde over het woud zodat de kleinste dieren vlug in hun holletje wegkropen om niet meegesleurd te worden.

Ook het kameleontje zelf trok zich terug, nog bedrukter dan voorheen. Zij wist nu helemaal niet meer wie hij was. Vroeger was hij altijd trots geweest op haar vermogen om zich aan te passen, maar nu wist ze het niet zo nauw meer. Tuurlijk hadden alle dieren gelijk, ze had zich immers altijd al aan hun wensen aangepast. En dat had hen plezierd. Maar zijzelf vroeg zich af of hij dat wel moest blijven doen, of zij zo wel gelukkig zou kunnen blijven. Eigenlijk had ze zich pas een keer echt warm en thuis gevoeld, en dat was als vuursalamander.

De storm raasde voorbij, en in haar zog wandelde ook het lieftallige vuursalamandertje. De kameleon keek om en trok meteen grote en tranerige oogjes.
”Hallo”, begon ze schuchter.
”Hallo”, zei het vuursalamandertje, dat niet meteen de meest spraakzame der reptielen was. De kameleon voelde zich helemaal warm worden en stotterde die ene vraag die nu gesteld moest worden: “Wat ben ik?”
Het vuursalamandertje giechelde en al haar vlammetjes dansten op haar staart: “Een vuursalamandertje natuurlijk.”
”Ja?”, vroeg het kameleontje ongelovig.
”Tuurlijk, gekkerd, kijk maar in dat plasje.” Toen keek de kameleon in de plas en ze zag zichzelf weerspiegeld. Zichzelf. Geen boom, geen olifant, geen aapje, maar zichzelf. En terwijl de kleuren zich mengden en vochten en zochten om te zien hoe de kameleon zichzelf echt kon zien, vormde een lieftallige glimlach zich op haar lippen. Want in de plas verscheen een vuursalamander, zo mooi en vrouwelijk als zijzelf.
”Hallo”, zei ze en het vuursalamandertje in de plas was het vuursalamandertje dat ze echt was.

Ode aan Oote

schermafbeelding-425

Dat ik een zwak heb voor Jan Hanlo’s Oote Oote Boe, zal je misschien al weten.

img_0058

Je hebt misschien ooit het filmpje gezien waarin ik het gedicht een beetje waardig probeer voor te dragen? Een filmpje dat, naar ik vernam, trouwens soms in lessen Nederlands wordt getoond, tot grote ergernis van de leerlingen, die dan ’s avonds hun beste Nederlands bovenhalen om enge commentaren te tikken die ik dan weer met sop en spons van mijn wall probeer te schrobben.

Dit jaar bereikte mijn eerbied voor het gedicht, het klankschilderij, een nieuw hoogtepunt. Ik mocht niet alleen opdraven tijdens een viering van 100 jaar Dada in Groningen om nog eens eigenzinnig met de Oote’s aan de slag te gaan, nee, ik mocht ook een tekstje schrijven voor een kunstig kleinood. Of liever: een kleinode. Een Ode aan Oote.
Tussen de bijdragen van jazzpianist Justin Binek, de dichters Ezra de Haan, Wiel Kusters en Karel Soudijn en nog een pak anderen, vind je mijn tekstje.
En voortaan vind je het ook hier:


Vandaag is het liefde

Of het wel een gedicht is. Hoe vaak heb ik die vraag niet gehoord? Kolder, toch? Absurd? Onnozel? ‘Om te lachen’? Alsof dat het minder ernstig maakt.

Ik heb het me eigenlijk nooit afgevraagd waarom Oote me zo trof. Van alle gedichten die we op school voorgeschoteld hebben gekregen, is die me, samen met enkele knapperds van Gorter en de Coninck, best bijgebleven. Een gedicht, had de leraar georakeld, moest je steeds weer verwonderen en op jezelf teruggooien. En dat deed het vanaf de eerste Oote. Mijn mond ging meteen in de juiste stand staan en de verwondering vloog naar binnen.

Oote Oote Oote

Plechtig waren ze, die allereerste woorden, die eerste kennismaking. Plechtig, hoog en overstijgend. Ik ging er rechtop voor zitten, om vervolgens met een ‘boe’ weer onderuit te gaan. Verrukt was ik.

Diezelfde avond heb ik het wellicht tien keer gelezen. Zacht, hardop, traag, snel, met wisselende tempi, vrolijk, melancholisch, bang, bezwerend, vertellend, verliefd, verwijtend, spuwend, zalvend, wiegend maar steeds verwonderd. De verwondering vloog weer naar buiten bij elke lezing, en kroop dan langs mijn oren weer naar binnen.

Dit was muziek, dit is muziek. Dit was een verhaal geschreven met noten waarvoor de balken nog moesten worden gesmeed. Dit is een symfonie schilderd met priegeltekentjes op waterdamp. Onvatbaar en steeds anders. Het werd hoe ik was toen ik het las. Het wordt wat ik voel, terwijl ik bedoel. Het is een deun, een dreun, een drein, een trein die me steeds weer elders brengt op haar sporen die als thema’s door de klanken lopen. Het is jazz, jawel, een tijdloze standard die elke keer weer nieuwe interpretaties toelaat en nooit aan rijkdom inboet.

Kolder, toch? Ik weet het niet.  Is Ornitology kolder? Take Five?

Ah ach ah ach

Vandaag is het een psychologische roman. Ze laat zich verleiden tot zelfmedelijden, mijn personage, maar ze weigert zich ook te laten meeslepen. Boe, schudt ze haar mijmeringen weg, maar ze komen terug en slepen haar steeds weer mee. Zelfs haar weerstand wordt mijmering. Boe wordt oe oe oote. Ah, dat wil ze niet. Het snijdt haar, pijnigt haar en meegevend tuimelt ze in het zelfbeklag, boe hoe. We voelen hoe ze zelfbewust strijdt, smacht, smijt en bevend naar de kunst grijpt. Maar het pakt niet, het vat niet, het doet niets. Doet doe d doe… Snikkend en gekneusd zinkt ze weg in het grote verdriet, waar steeds stiller nog een verweer in klinkt… Haalt ze het?

Boe

Morgen is het misschien een wals. Of een opera. Een epos, een thriller of een liefdeslied. Morgen is het waar ik zin in heb, en altijd meer.

Dat is de kracht ervan. Ik weet hoe ik erin ga, maar nooit hoe ik eruit kom. Het speelt met je, en laat je jezelf ontdekken als een Rorschachtest van klanken.

En dat geldt vast ook voor mijn publiek wanneer ik het breng. Sommige mensen worden er kwaad van, en gaan schelden, anderen gaan lachen en nog anderen laten de verwondering naar binnen vliegen.  En laat het mij net daar om te doen zijn. Ik hou van Oote. Het ontvouwt zich elke keer weer anders, en het is altijd groter langs de binnenkant. Het is o zo dens, compact, dicht, dichter, dichtst.
En dan durven ze vragen of het wel een gedicht is.

Boe.


Justin Binek in actie

Uw dienares

 

Meer informatie over Uitgelezen Boeken, Katern voor boekverkopers en boekenkopers: www.uitgeverijdebuitenkant.nl.

Kustromantiek Op Wieltjes

Sinds enkele maanden mag ik de op-ed verzorgen in ‘Tussen de lijnen’, het blad van De Lijn dat enkele jaren geleden nog uitgeroepen werd tot beste personeelsblad van Vlaanderen. Cursiefjesgewijs prik ik er met een vrolijke knipoog in rariteiten, onvolkomenheden en inconsequenties, en verword ik tot een cartoonfiguurtje. En ja, de verhaaltjes zijn steeds ‘gebaseerd op echte feiten’ maar dan karikaturaal bijgekleurd en ingeknipt om netjes in de formaat en de tekening te passen. Hieronder vind je de zomerinzending, die in augustus in het blad verschijnt. Moge het nu beginnen zomeren!

Daten op de Kusttram. Bestaat er iets romantischer? Ik zag het helemaal voor me: in bikini, in de tram, het strand op rijden, genietend van zon, zee, zand en zoenen. Dat is als daten op de Oriënt-Express, maar dan langs ‘het unieke van de Vlaamse kust’, ‘met zicht op zee’ én een stuk goedkoper. Dat zou haar zeker overtuigen. Dacht ik.

‘Hoezo, twee euro beheerkosten?’ mokte ze. Een dagpas was het interessantste, hadden we ontdekt op delijn.be: ‘Op het voertuig 8 euro, in voorverkoop 6 euro.’ Omdat de eShop ‘uw persoonlijk voorverkooppunt bij u thuis’ is, hadden we dus verwacht daar 12 euro te betalen. Maar er stond: ‘Vermijd 2 euro beheerkosten door minimum voor 12,50 euro te bestellen!’‘Kan ik ergens een extra ticket van een halve euro kopen’, knorde ze, ‘of moet ik nu drie tickets kopen van 6 euro om die 2 euro te vermijden? Afzetters! Dat is zo’n marketingtruc, zoals bij jouw hotdogs.’ Ik beet op mijn lip. Ze verkopen de broodjes per zes en de worsten per vijf, en dus kom ik altijd met dertig stuks thuis. ‘We kunnen de tickets ook bij de Lijnwinkel kopen’, opperde ik stilletjes. Ze kneep haar oogjes tot spleetjes: ‘Is dat een lepe manier om me mee te krijgen?’ ‘Het scheelt twee euro’, probeerde ik nog eens. Het lukte.

img_0259Het was écht twee euro goedkoper. Het Lijnwinkelmeisje gaf ons de gelukzalige tickets die ons van Knokke naar De Panne en terug zouden rijden voor precies 12 euro.‘Een lief kind dat de hele dag zit te wachten in een klein hokje is dus goedkoper dan een computerprogramma?’ mopperde mijn vriendin ongelovig. ‘Geen beheerkosten voor dat arme schaap?’
‘Dag, dames’, verwelkomde de charmante chauffeur ons in Knokke. Nu zou de romantiek echt beginnen. Belgische kust, we komen eraan! ‘Op naar de horizon!’ riep ik enthousiast. ‘Nog vuuf mienuutjes’, antwoordde de chauffeur.

Knokke, Duinbergen, Heist, Zeebrugge, Blankenberge, Wenduine, De Haan… De Vlaamse kust schoof voorbij. Af en toe zagen we zelfs een streepje zee tussen twee flatgebouwen door. Een streepje strand. Een streepje muziek zou het nog eens zo romantisch gemaakt hebben. ‘Daar!’ riep ik. ‘Zee!’ ‘Waar?’ vroeg ze. Net te laat.
Terwijl we gezellig voortdenderden, zakte ze steeds verder weg, zalig in slaap gewiegd. Ik durfde haar niet wakker te maken. Ook niet toen we bij Raversijde de Zeedijk op reden. ‘Kijk’, fluisterde ik haar hoofd toe dat op mijn schouders rustte. En terwijl we langs de spelende golven gleden, zoende ik haar zacht. Is er iets romantischer dan een kustram, dacht ik.

(Uit: ‘Tussen de lijnen’, De Lijn, augustus 2016)

De wonderbibliotheek

fantastic-flying-books
Uit: “The Fantastic Flying Books of Morris Lessmore” – W. Joyce & B. Oldenburg (2011)

Mijn tante woonde in een bibliotheek. Eigenlijk was ze er conciërge, maar dat woord betekende nog niets toen ik er vroeger kwam. Ik weet ook helemaal niet of zij veel las, dat heb ik haar nooit gevraagd. Wanneer ik bij haar op bezoek kwam, had ik geen tijd om vragen te stellen. Dan moest ik op expeditie, in de bibliotheek.
Een oude, stoffige bibliotheek was het, met een piepende houten vloer, waarin je zo stil mogelijk rond liep om de personages niet wakker te kraken. Ooit heette het gebouw kasteel, maar die naam had ze geruild voor het plechtige bib.

Continue reading → De wonderbibliotheek

Verhaal | Zeelopen

schermafbeelding-10Er was eens een jongetje dat naar de overkant wou lopen. Niet naar Engeland, dat klinkt al even erg als hier, vond hij: enge-land. Wie wil daar nu wonen? En ook Groot-Brittannië vond hij maar niks.

‘Nee’, vond hij, ‘als ik ergens heen wil, dan moet ik het zonder fouten kunnen schrijven. Naar het Paradijs of naar Sprookjeseiland.’ En die landen lagen aan de andere kant van de zee. Dat wist hij gewoon. Daar hoefde je geen dikke boeken voor te lezen. Het enige wat je moest doen, was aan de rand van de zee gaan staan en staren en luisteren. En dan vertellen de golven over die verre landen waar ze net zijn geweest. Ze brengen geuren mee van stranden waar reuzen hun voeten wassen met zeewier, en prinsessen schelpen rapen voor hun feestjurk. Ze zingen liederen uit landen waar palmbomen pootjebaden en schildpadden verstoppertje spelen in de branding. Het leven is mooi aan de andere kant van het water, dacht het jongetje, en hij zette een stapje dichter.
“Wat doe je, Willem?”, riep zijn tante.
“Euh, niks.”, riep Willem terug.
“Precies!”, zei zijn tante. “Kom, we gaan naar huis.”
Willem keek nog even naar een schip in de verte – “Tot morgen!” – en draaide zich toen om. Morgen was de dag.

Al twee weken lang kwamen ze hier elke dag, zijn tante en Willem. En elke dag vertrokken ze vroeger omdat het tante het saai vond. Ze dacht dat ook Willem het saai vond om aan de zee te zijn, omdat hij daar zomaar wat stond. Dat dacht zij, tenminste.
Maar Willem vond het helemaal niet saai. De zee beloofde plezier, vrienden en leuke stranden aan de overkant. Dus maakte hij plannen om naar de overkant te lopen. Te voet.
Met de fiets werd het niets. Dat had hij al geprobeerd. Op zand rijden is veel te lastig. Daarom zie je geen wielrenners op het strand. Voor een boot had hij geen centen en zijn tante zou er zeker geen geld aan uitgeven, want ze hield niet van zeewater.
“Niet te drinken!”, zei zijn tante dan, terwijl ze een kopje koffie nam met zeven suikerklontjes.
En met het vliegtuig had je te veel lucht tussen jou en de zee. En ‘te’ is nooit goed. Dat zei tante ook altijd, terwijl ze aarzelde bij het achtste klontje.
Nee, hij zou naar de overkant lopen. Dat was betaalbaar en haalbaar, vond Willem. Je moet alleen heel snel lopen, zodat je geen tijd krijgt om in het water te zinken. Hij had het al geprobeerd op de kleine plasjes op het strand zelf, en dat ging heel goed. Hij was geen enkele keer weggezonken. 

Natuurlijk wist hij ook wel dat de zee een stuk moeilijker zou zijn. Daarvoor had hij al lang genoeg naar de zee gekeken. ‘Het grootste probleem,’ daar was hij van overtuigd, ‘waren de golven. Die proberen je steeds onderuit te halen. Ze springen naar je benen, en laten je struikelen. En eens je gestruikeld bent, heb je geen snelheid meer, en dan zink je natuurlijk.’
Hij had het al vaker gezien bij anderen die de zee inlopen zonder nadenken. Nog voor ze drie meter de zee in gelopen zijn, struikelen ze over een golf, en liggen ze spartelend op hun gezicht.
Springen, was de boodschap. Springen en heel hard lopen. En voor je het weet, ben je in Luilekkerland. Dat was ook die kant op.
Zijn plan was feilloos. Morgen zou hij weer met tante naar het strand gaan. Tante zou zich weer in haar zetel zetten met haar thermos en suikerklontjes, en Willem zou zorgvuldig zijn schoenen uitdoen, zijn spieren spannen, diep ademhalen en dan als een hordeloper de zee in spurten. De eerste golven zijn de lastigste, wist hij, en dan zou het makkelijker worden, want dan worden de golven lichte hellingen, en geen benenbijters.

Maar de volgende morgen was de zee weg. Of liever: alles was zee. Het regende zo hard, dat je niet kon zien waar de zee eindigde en de lucht begon.
“Ik blijf binnen.”, zei tante. “Ik heb geen zin om me kletsnat te maken. Ik blijf binnen en ik neem een lekker warm bad.” Badwater is ook nat, maar minder klets, dacht Willem.
Met zijn regenjas en een zuidwester liep hij het strand op, maar hij kon niet uitmaken waar de zee was. Hij ging door zijn knieën en keek door zijn wimpers, maar nog zag hij niet waar het zeeoppervlak was. Het leek eerder alsof ze de zee hadden opgeklapt, en er nu stukjes af vielen op het strand.
Als hij er nu op af zou rennen, zou hij naar boven lopen, dacht hij. En daar wou hij helemaal niet zijn.
“Morgen kom ik terug!”, riep hij naar de zee.

“Wat is er morgen?”, vroeg een stemmetje naast hem.
Een meisje stond hem met natte ogen aan te kijken. De rest was ook nat, maar Willem zag alleen haar ogen.
“Niks”, zei hij.
“Oh, dan kom ik morgen ook”, zei ze. “Ik heb nog nooit niks gezien. Tot morgen.” En toen liep ze weg.

De volgende morgen regende het niet. Maar het waaide heel hard. Zo hard dat de golven in schuimtoppen uiteenscheurden en zich zo op het strand stortten.
Willem ging weer alleen het strand op. Tante had geen zin om een verkoudheid te vangen, zei ze, alsof die zich bij winderig weer makkelijker laten vangen.
De golven waren te hoog. Zo hoog kan ik niet springen, dacht Willem. Hij probeerde het van op afstand. Hij sprong omhoog telkens hij een golf zag komen, en vroeg zich af of hij hoger had gesprongen. Maar nee, hoor. Zelfs op de dijk leek hij niet hoger te geraken dan de golven.
“Dit wordt niks…”, zuchtte hij.
“Ik hoop het,” zei het meisje dat naast hem opdook, “want dit is helemaal niet niks.”
“Wat niet?”, vroeg Willem.
“Die hoge golven. En jij die even hoog springt.”
“Even hoog? Meen je dat?”
“Mmmm, misschien niet helemaal even hoog. Maar het scheelt niet veel.”
“Dan is het niet goed.”, zei Willem. “Het moet perfect zijn. Als ik net niet hoog genoeg spring, dan blijven mijn tenen vast haperen, en dan struikel ik en dan…”
“Dan val je.”
“Precies.”, zei Willem.
“En dat zouden we niet willen.”, zei het meisje,
“Nee.”, antwoordde Willem.
Zo bleven ze een tijdje naast elkaar staan, terwijl de golven Willem bleven uitdagen. Maar hij sprong niet meer. Morgen, dacht hij.
“Tot morgen dan”, antwoordde zij.

De volgende morgen was alles gaan liggen: de wind, de golven en ook tante lag weer in haar strandstoel.
Dit wordt de dag, wist Willem. De golven hielden zich koest, de zee zag er uitnodigend uit, en de horizon werd gelig warm verlicht door dansende zonnestralen.
“Wordt dit de dag?”, vroeg het meisje.
“Wie is dat?”, vroeg tante.
“Niemand.”, zei Willem.
“Ja,” antwoordde Niemand, “maar iedereen noemt me Kim.”
“Dag, Kim,” mompelde tante die haar krant over haar ogen trok, “braaf spelen, he, en niet te ver lopen. Want ‘te’ is nooit goed…”

Willem marcheerde naar zijn startplaats, en deed zijn schoenen uit. Hij strekte even zijn spieren, tuurde naar de zee en haalde toen diep adem.
“Wat gebeurt er nu?”, vroeg Kim.
Willem keek Kim nors aan.
“Oei, heb ik iets verkeerd gezegd?”
“Je haalt me uit mijn concentratie.”
“Oh, sorry, hoor. Doe maar verder.”
Willem zette zich weer in startpositie. Tuurde weer naar de zee, en haalde weer diep adem.
“Waarvoor eigenlijk?”, vroeg Kim.
Willem ging weer rechtop staan.
“Ik ga lopen.”, bromde hij.
“Waarheen?”
“Ik ga over de zee lopen.”
“Naar de overkant?”
“Ja.”
“Leuk.”
Weer zette hij zich, spieren, adem, turen. En…
“Mag ik mee?”
“Mee?”
“Naar de overkant?”
“Hoe… wat… Waarom wil jij naar de overkant?”
Het meisje haalde haar schouders op.
“Ik heb net iemand gevonden om mee te spelen… en als die weg is, dan heb ik weer niemand meer. Dus loop ik liever mee.”
“Maar het is ver, hoor.”
“Maakt niet uit.”
“En gevaarlijk.”
“Gevaarlijk is leuk.”
“Er zijn zeeleeuwen en waterwolven.”
“En zandbanktijgers!”
Toen moesten ze allebei lachen, en vertelde Willem zijn plan. Over snel lopen zodat je niet wegzinkt, en over hoog springen zodat je niet over de golven struikelt.

En toen vertrokken ze.
Ze liepen allebei zo hard ze maar konden naar de zee. Hun voeten raakten het water, ze sprongen over de eerste golf. De tweede. De derde. En de vierde. Ze liepen over het water heen. Vijfde golf. Zesde.
En toen keek Willem naar Kim. Ze lachte terug, en hij ook. ‘Leuk’, vond hij, ‘plezier’, dacht hij, en hij bleef lachen en kijken, waardoor hij de zevende golf niet zag.
Willem struikelde, viel, spartelde

en zonk.

‘Maar het geeft niet’, wist hij,
‘want ik ben aan de overkant.’

golf

(Dit verhaal verscheen eerst in ‘Het logboek van Kapitein Beaufort’ – illustraties ©Klaas Verplancke)

Verhaal | Griet

hans-grietjeJe gillen wekt me. Elke nacht weer. Je priemt mijn hoofd, spiest mijn gedachten als een pijl door een appel. Ik ruik appel. Gebakken appel. Verbrande appel. En schiet weer recht.
“Alweer?”, bromt Hans en hij draait zich op zijn zij.
“Nee, ik… Ik moet even naar het toilet.”

Hij weet het, denk ik soms. Hij weet dat ik nog altijd aan je denk. Zijn ogen sluiten zich weer terwijl ik stil tussen de lakens uit glijd. Zijn adem wordt weer rustig, en ik sta op. Een vochtige lok schuift voor mijn ogen, maar ik duw haar niet terug. Daar heb ik geen kracht meer voor. Niet meer sinds jij er niet meer bent.

Tussen de spleetjes van de luiken sluipt maanlicht naar binnen. Het lokt. Ik trek mijn schoenen aan, leg een mantel over mijn schouders en mijn hand op de deurknop. Even kijk ik terug naar mijn broer. Zijn borstkast gaat rustig op en neer. ‘Slaap, broer. Slaap lang, tot ik terug kom.’

Hij bedoelde het goed, bedenk ik, terwijl ik met de mantel dicht om me heen door de nachtelijke struiken stap. Hij bedoelde het zo goed. Hij was mijn redder, mijn prins. Dat wou hij zijn, al toen we nog heel klein waren. Vader was er nooit, die werkte zich een leren huid toen moeder was gestorven, en Hans was meer dan een broer geworden. Hij was mijn tweede vader, mijn leraar, mijn moeder, mijn vriend… Hij hield van mij alsof hij me in zijn eentje alle liefde wou geven die ik anders zou missen. Geen arm week hij van mijn zij. Ik was zijn oogappel, zijn levenstaak, zijn godin.

Hoe vaak waakte hij me niet teder over me wanneer ik in mijn bedje lag, of wanneer ik op de keukenvloer met houtben poppen speelden terwijl hij het huishouden deed. Ja, dat deed hij.

Vader had mij opgedragen om te poetsen en te koken toen ik zes was geworden, maar zodra die de deur uit was, nam Hans me dat werk uit handen. “Jij moet spelen.”, zei hij dan. Of: “Jij moet leren lezen.” “Rekenen.” “Schrijven.” Glimlachend nam hij daarbij het naaiwerk over. Hij werkte dubbel, want vader had hem ook werk gegeven. Ook dat deed hij, zonder morren. Snel. Zodat hij ook het huishouden kon doen ėn voor mij zorgen, met mij spelen. Hij deed zo zijn best, de jongen, om mij een leuk leven te geven, een mooie jeugd, een toekomst, zoals hij zelf zei. En dan kuste hij me op mijn voorhoofd.

Het pad naar je huis is nauwelijks te vinden. Gras, mos, struiken, wortels, bladeren, modder. Het lijkt wel alsof alle elementen samen spannen om je voor me te verbergen, alsof het woud je van me weg wil houden… Maar het lukt hen niet, lieveling, mijn voeten weten de weg. Nachten hebben die van je gedroomd, gestapt en getrappeld onder de dekens tot Hans vroeg wat er nu weer was, en ik uit mijn droom werd gesleurd. Maar nu houdt hij me niet meer vast, nu kom ik naar je toe. Ik heb geen broodkruimels nodig om je te vinden. Geen tak verspert me de weg.

Hoe lang is het geleden dat ik hier liep? Holde? Ik was net achttien geworden, toch? Je noemde me ‘rijp’, alsof ik een appel was. Je liet me lachen en dat luchtte zo op die avond.
Maar toen ik hier de eerste keer rende, achter Hans aan, die mijn arm er wel leek af te rukken, wist ik nog niet dat jij aan het eind van het pad woonde. We waren op de vlucht.
Of waren we verdwaald?

Ik heb Hans al zoveel versies van ons verhaal horen vertellen dat ik soms zelf bijna vergeet hoe het zat. Heb je die verhalen gehoord, mijn lief? Die fabels, verdichtsels en verzinsels? Ze waren grotesk, vond je niet?
We zijn helemaal niet door onze ouders in het bos achter gelaten. Onze vader had helemaal geen boze stiefmoeder of zo mee naar huis gebracht. Waar zou hij die gevonden hebben? Op een tak? Onder een oude vermolmde eik? In een gracht tussen oude koeien die je beter laat liggen? Nee, vader zag enkel de bomen en de bosmeester van de Graaf.

Nee, op een avond kwam vader heel druk thuis, nam hij Hans bij de arm en ging hij de houtschuur in. Onopvallend nabij sluipen om mee te luisteren was wel mogelijk – dat had ik nog gedaan, met kerst bijvoorbeeld toen ze mijn geschenk kozen – maar het regende zo hard  die avond, dat ik dacht: ‘ach, dat ontdek ik later wel’.
En ja, ik ontdekte het later. De volgende avond al.
“We moeten weg!”, fluisterde Hans me toe in mijn slaapkamer toen vader hout lag te snurken en mijn broer zoals elke avond mijn kamer in was geslopen.
“Waarom?”, had ik gevraagd. Dat is overigens helemaal geen kinderachtige vraag, maar een heel belangrijke. Daarom stellen vooral kinderen en andere kinderlijke mensen haar. Ik verwachtte een doordeweekse ‘daarom’. Maar er kwam:
“Jij moet weg! Vader is gek geworden. Je toekomst staat op het spel. Als je niet vlucht, is je leven nu voorbij.”

Dat klonk ernstig. Hans was nooit een grote spreker geweest –  de schrijvers uit de boeken die hij me deed lezen konden veel vuriger pleiten – maar hier had hij op geoefend. Dat merkte ik meteen.
“Moet ik mijn kleren al aantrekken?” Ik had nog niet door wanneer het vertrek zou doorgaan.
“Nee, pas als ik het zeg.”

En toen was hij verdwenen. Het duister was die nacht veel donkerder dan voorheen. Het rook naar zwarte stroop, smaakte naar bittere chocolade en kleefde op mijn huid als oude karamel. Ik proefde de nacht en wist niet wat ik er moest van drinken. Was dit nu boeiend of angstaanjagend? Of allebei?
Ik koos voor boeiend.
Immers…. Mijn broer hield van mij…
Toch?

Scheen de maan die nacht zoals nu? Dat herinner ik me niet meer.
Vannacht is ze heel aanwezig. Ze kijkt mee over mijn schouders of ik de weg wel vindt. Nieuwsgierig duwt ze takken opzij en spiekt ze al vooruit. Misschien komt ze hier voor het eerst, misschien herkent zij ons paadje niet, misschien hunkert ze net zo naar jou als ik.
Ik denk dat ik huisje al ruik. Heel vaag. We zijn nog ver en de geur is oud. Zeven jaar oud al. Wie er niet naar zoekt, ruikt het vast niet, maar ik proef het zelfs als ik diep inadem. Peperkoek…

“Ja, een peperkoeken huisje, echt waar.”
Ik proestte het uit. Hans deed zijn best om me streng aan te kijken, maar gaf het snel op.
“Je zult het zelf wel merken, let maar op.”

Na die alarmerende avond was Hans er elke dag op uit getrokken. Om onze vluchtweg te zoeken, zo bleek nu. Hij had broodkruimels gestrooid om de weg terug te vinden, zei hij.
“Broodkruimels? Had je niet beter steentjes gebruikt? De vogels eten die toch op?”
“Net daarom, dom gansje,” grinnikte Hans, “als ik steentjes gooi, vindt vader die vast en gaat ie onraad ruiken. Nee, broodkruimels blijven net lang genoeg liggen opdat ik mijn weg terug vind, maar niet zo lang dat vader ze vindt wanneer hij thuis komt.”
En toen vertelde hij over zijn vondst. Een peperkoekenhuisje, ongeveer een nacht stappen ver. Daar zouden we onderdak vragen voor de dag, en de nacht erop weer verder trekken. Steeds verder. Op weg naar een ander land, een andere toekomst. Een echte toekomst.
“Voor jou.”, zei hij.
“Voor ons.”, verbeterde ik.
Zelden heb ik Hans zo zien stralen als toen. Voorheen niet, maar ook nadien niet meer…

Herinner je nog die eerste nacht, mijn lief? De nacht was zwart als drop en de koude wind sneed als kandij in mijn huid. De hele nacht hadden we gelopen, Hans en ik, vluchtend, ontsnappend aan een heden dat geen toekomst had.
De weg was lang, maar de nacht nog langer, en zo kwam het dat we je huisje eerst roken en toen pas zagen.
“Peperkoek!”, riep Hans triomfantelijk, “Zie je wel!” en hij stompte me op mijn arm.
“Au”, riep ik plichtbewust, maar mijn mond lacht glim. Ik rook het ook. Ik rook je ook. Dat was jij, mijn lief. Jij rook naar peperkoek. Zo rook je toen, en zo ruik je nu nog in mijn herinneringen. ‘Kruidenkoek’, zei je zelf, maar je gaf toe dat ‘peperkoek’ wel vrolijker klonk.

Volg je neus, zeggen ze dan in verhalen, en wij deden dat ook echt. We hadden de hele nacht gelopen, gestruikeld en gekrabbeld om hier te geraken, en nu renden, struikelden en krabbelden we nog harder. Onze neus achterna, recht naar jouw huisje. En wat voor een huisje!

Schat, heb ik je ooit verteld hoe prachtig je huis me leek die nacht? Alles was in grijs en zwart, want de zon had haar borstels nog niet bovengehaald en de maan ziet geen kleuren, maar de tekening was toch adembenemend. Het leek wel een sprookjeshuisje! Met vrolijk ronde dakpannen, een giechelend schotse muur hier en een olijke scheve schoorsteen daar. De raampjes waren rond als oliebollen, de vensterbankjes leken nougatrepen, de muur kaneelstokjes en op het dak leek wel overgoten met chocolade. Zo hongerig waren we, zo groot was ons verlangen naar een toekomst dat er uitzag als het paradijs, smaakte als luilekkerland, en rook naar snoep en peperkoek. Zo zag jouw huisje eruit die nacht, toen de wens de wereld kleurde met dromige smaken en romige geuren.

Ik klopte niet. Ik keek.
“Klop dan aan.”, siste Hans die geen oog leek te hebben voor je marsepeinen naambordje.
“Knibbels, knabbels en knuisjes, welkom in het kruidenkoekenhuis!” las ik hardop?
“Wat zeg je?”
“Knibbels, knabbels en knuisjes, welkom in het kruidenkoekenhuis!”, zei ik opnieuw. Ik keek achterom in de speurende ogen van Hans.
“Dat staat hier.”, wees ik hem marsepeinerig.
“Oh.”

Ik vergat al te vaak dat hij het niet kon, lezen. Dat hij mij die rijkdom wel had gegeven, maar ze zelf nooit had gekregen.
“Kijk”, wees ik met mijn vinger, “dit is ‘kniebels’, en hier zie je weer die ‘kn’ in ‘knabbels’ en hier nog eens in ‘knuisje’.”
“Ja, een beetje stom, he…”, zei opeens een stem achter ons. We draaiden ons met een ruk om. En daar stond jij.
Meer had je niet nodig om mijn leven te veranderen.

En mijn leven veranderde. Dat is zeker. Niet alleen door het huis, dat veel vrolijker, mooier, vrouwelijker en warmer was, maar vooral door jou. Jij was een giechelende wervelwind die om ons heen bleef schieten, nu eens met deeg, dan weer met snijwerk, of platen en de volgende keer met boter of grote dozen vol koeken.
Jij was koekjesbakker, legde je uit. Je had ontdekt dat je er wel talent voor had, en waar je eerst bakte voor je ouders, de buren, later de straat, de wijk en uiteindelijk het hele dorp, bakte je nu al voor de graaf zelf.
“De graaf!”, slaakte Hans. Hij dacht vast aan de bosmeester.
“Ja,” antwoordde je zo zacht, “het is best een aardige man, schijnt het, maar ik zie eigenlijk alleen zijn hofdames, en dat is maar goed ook.” En toen knipoogde je naar mij. Knipoogde je naar mij? Ja toch? Dat had ik toch goed gezien? Je knipoogde naar mij.
“Geef je me eens die schaal, lieverd?” Hans was nog steeds aan de grond en de graaf genageld, maar ik keek al om me heen en gaf je de schaal nog voor hij de ‘nee’ kon zeggen die uit zijn longen opborrelde. Je keek enkel naar mij toen, en vertelde verder hoe je elke ochtend al heel vroeg opstaat om aan het werk te gaan, want dat je die koeken voor de middag klaar wil hebben. Dat je daarna na de middag nog verder bakt, en die koekjes inpakt en verstuurt naar andere graafschappen, en dat misschien de koningin zelf er ooit zal van eten en dan hierheen zou komen.
“Dat kan toch niet.”, mompelde Hans.
“Pardon?”, vroeg je. Je stond opeens stil. Hans keek omlaag en herhaalde zijn mompel.
“Oh, waarom niet dan?”
Hans keek weer op: “omdat er wel honderden bakkers in het koninkrijk zijn. Die koeken kunnen wel van iedereen zijn.”
“Daarom heb ik er die ‘kniebel, knabbel’-dinges opgezet.”, zei je trots. Er is vast geen enkele andere bakker in het koninkrijk die dat op zijn koeken heeft staan. Of haar koeken.” Je hield een papieren zak voor je met je zinnetje, je herkeningslijntje, je toverspreuk. “Ik hoop ze zo te betoveren dat ze mijn naam onthouden. Met die knullige ‘kn’. En de smaak van de koeken natuurlijk.” En je deed weer verder. Je nam zeven koeken op en legde die netjes in een zakje.
“Oh.”, zei Hans. En hij vouwde zijn armen.
“Ja,” antwoordde je. “Zo zou je het kunnen zeggen.”

De rest van de dag ging het net zo. Jij vertelde honderduit over je koeken, over het succes van je koeken en af en toe vroeg je mij iets aan te geven, waarbij je mij een knipoog gaf, en Hans mokkend toekeek.
Maar toen het middag werd, en ik opeens een schaal liet vallen, ik naar de grond greep om ze op te rapen, nam jij mijn hand vast en leidde je me zachtjes overeind. Je keek me in mijn ogen en lachte zachtjes.
“Jullie zijn moe. Jullie hebben de hele nacht gelopen, en nu is je broer bang dat de graaf iemand achter jullie aan stuurt. Maar je moet slapen, lieverd.”
Toen liet je mijn hand los en keek je ook Hans aan.
“Ik heb nog een kamer achterin. Het lijkt wel een kooi, maar niemand vindt je er, als iemand het al in zijn hoofd zou halen om jullie hier te komen zoeken. Slaap daar nu maar de rest van de middag en dan wek ik jullie vanavond. Dan wil ik jullie verhaal wel horen, en dan zien we wel verder.”
“Ik denk…”, begon Hans, terwijl hij naar de deur keek.
“Dank je wel, mevrouw…”
“Gwendolyn, heet ik. En jij? ”
“Grietje. Euh… dank je wel, Gwendolyn, we willen graag blijven. We zijn erg moe. ”

Nee, ik wou niet weten wat Hans dacht. Ik wou niet zien hoe hij boos was, werd of zou worden. Ik wou niet weten hoe erg hij het vond dat ik zijn plannen opzij schoof. Ik wou alleen hier blijven, mijn lief. Ik wou bij jou zijn. Altijd. Toen al. Die eerste middag al.
’s Avonds wou Hans al meteen vertrekken. Al in de kooikamer had hij meteen zijn schoenen aangetrokken – meer had hij nooit uitgetrokken – en hij had me bij mijn arm rechtgetrokken, waarop ik even had gegild. Even maar, hoor. Niet veel. Een kreetje was het eerder, en gillen was het ook niet. Slaken, zeg maar. Maar jij had het gehoord. En je stond in de deuropening, je handen op je voorschoot, je hoofd schuin tegen die vrolijke deurpost leunend.
“Ga je al?”
“Ja,” zei Hans, “hoe sneller we vertrekken, hoe meer voorsprong we hebben.”
Je ging rechtop staan en veegde je handen af. Nu zag ik pas dat je een hoofd groter was dan Hans. Ranker wel, en vast niet zo sterk, maar wel groots, en indrukwekkend. En mooi. Dat dacht ik ook. Ik vond je zo mooi. De avondzon scheen in je haren en vlocht er lichtkransjes. Maar je keek ernstig.
“Hoelang wil je lopen dan? Weer de hele nacht?” Je wachtte niet op antwoord, maar stapte langs Hans heen naar mij. “En je liefje? Kan zij nog een hele nacht stappen?”
“Dat is mijn liefje niet!”
“Oh.” Toen glimlachtte je weer zo boterzacht. En ik ook.
“Hij is mijn broer. Hans.” En je glimlachtte nog meer.

Hans had toen toegegeven dat het misschien niet zo goed voor me was om nu al de hele nacht te stappen. Jij had hem heel verstandig genoemd en dat had hij leuk gevonden. En toen waren we aan het vertellen gegaan, over de toekomst en vastzitten, en niet kunnen zijn wie je echt bent, en hoe Hans had gewild om mij te helpen ontsnappen, om mij een toekomst te geven. Ik had Hans toen een kus gegeven waarop hij heel rood was geworden.
“En de graaf?”, vroeg je, “Je leek me heel beducht om de graaf vanmorgen.” Hans werd nog roder en antwoordde eerst niet. Dat het vast wel erg was, zalfde je toen, en dat hij wel heel moedig was en heel veel om zijn zus gaf dat hij mij tegen die machtige heer wou beschermen.  En dat werkte. Hans vertelde toen dat vader plannen had om mij uit te huwelijken aan de zoon van de graaf.
“De zoon van de graaf?”, schrok ik. Ik duizelde even. Zag mezelf ineens in lange jurken, met een eigen lakei en kersen zoveel ik maar wou.
“En dat is niet goed?”, probeerde jij nog even.
“Nee, natuurlijk niet.” Hans werd boos en praatte steeds luider over toekomst en opsluiting en dat ik geen ding was dat mijn vader kon wegschenken en dat ik ook een eigen wil had, en dat hij dat niet zou laten gebeuren, want dat ik – en toen gilde hij – veel meer verdiende.
“Dat vind ik ook.”, zei jij toen. Je stond op, ging verder je oven schoonmaken en liet ons even achter tussen stille graven, zonen en kersentaarten met traliewerk.

Je vond Hans heel moedig, ons allebei heel moedig, zei je toen, maar als het zo zat, konden we beter niet meteen gaan rondtrekken. Je kende de graaf en zijn zoon, en die zouden de bossen uitkammen. Maar hier, hier zouden we veilig zijn, in de opslagruimte kwam nooit iemand kijken, en we moesten niet bang zijn voor de speurhonden van de jachtopziener, want die arme dieren werden bijna gek als ze de geur van de kruiden opsnoven.
Nee, hier zouden we dagenlang veilig zijn. En eten hebben ook, lachtte je erachteraan, terwijl je naar de voorraad koeken wees.
“Jullie buikjes zijn kogelrond als jullie hier vertrekken!”, giechelde je, en je prikte met je vinger in Hans’ buik.

We bleven niet één dag, niet twee dagen, zelfs niet één week, maar wel drie weken. Drie weken lang mocht ik bij je zijn, lieve schat. Drie weken die de mooiste van mijn leven bleken. Drie weken die ik nooit meer vergeet.
Eerst hielp ik met de schalen, reikte ik die aan als je er om vroeg, en nam ik ze aan als je er je warme, geurige koeken had op gelegd. Maar al snel liet je me ook andere taken uitvoeren. Mocht ik roeren in het deeg, mocht ik koeken sorteren, mocht ik de zaden pletten, de bloem zeefden, de suiker smelten. Schat, je maakte me gelukkig. Ik mocht zoveel van je. Ik mocht leven. Je vertrouwde me. Ik mocht zelfs mengen en proeven en na een tijdje mocht ik zelfs een eigen koekendeegje brouwen. Naar mijn smaak. ‘Grietekoek’, zei je jubelend en je danste om me heen.
Hans bleef plannen maken om te vertrekken. Eerst nog zat hij in de keuken, bij ons, maar hij werd humeurig als hij ons zag lachen, en spelend bloem naar elkaar gooien.
“Jullie lijken wel kinderen!”, had hij op een dag geroepen, en toen was hij met de landkaart die hij van jou had gekregen naar onze slaapkooi getrokken om er verder te tobben.
“Dank je wel!”, had je hem nageroepen waarna ik weer een knipoog had gekregen. En omdat ik verbaasd had gekeken: “Ja, ik blijf altijd kind.” en “Dat vonden ze in het dorp ook altijd al vreemd. Daarom alleen al, maar ook omdat er klachten waren over de stank van mijn oventje ben ik alleen gaan wonen in het bos.”
“Hoe oud ben je dan?”, had ik gevraagd.
“Achttien.”, had ik geantwoord.
“Oh”, keek je sip. “Ik dubbel.”
“Maar zo voelt het niet, hoor. Het lijkt wel alsof jij ook achttien bent.”
“Of jij ook 36.”
“Misschien zijn we allebei ergens tussenin!”, kirde ze en ze gooide een ei naar mijn hoofd.

Nee, het voelde niet als dubbel. Het voelde als koninklijk enkelvoud. We leken wel één. We werkten samen, lachten samen, bakten samen, waren samen en hoefden elkaar soms geen woord te zeggen om elkaar te begrijpen. Ik was graag bij je. Ja, zo is het. Gewoon naast je te staan, je huid even tegen de mijne te voelen wanneer we tegelijk naar een bordje grepen of je vingers aan te raken bij het kneden van een grote homp deeg, was hemels. Dit was thuis komen. Dit was het hoogtepunt van blij zijn afgewerkt met enkel brokjes kandij. Dit was geluk. Dit was die toekomst waar Hans het over moest hebben.
“Dank je wel, Hans.”, kuste ik hem op zijn wang op een avond voor het slapengaan.
“Het wordt nog mooier.”, had hij toen geantwoord en hij had de kaart uitgespreid en me met zijn vinger een weg uitgestippeld naar grote rijkdom, dure jurken en het lekkerste eten. Daar zou ik echt geluk hebben.
“Maar ik heb nu echt geluk, Hans. Je hoeft niet verder te zoeken.”
Dat was fout. Hans was toen heel boos geworden, en had me hard vast gegrepen: “WAT?!?!?!?”
“Ik… zei…”, en hij wierp me omver.
“Nee, Griet, ik ben niet tot hier gekomen om ons knechten van een koekenbakker te laten worden. Jij verdient meer, Griet. Denk eens verder! Ons eigen huis! Wij samen! En alle geld dat je maar wil. Dat dat is geluk! Niet hier, hier… Welnee, Gwen die is maar een domme bakkerin. Een belachelijke geit. Jij kunt veel meer… Hier, hier op de kaart heb ik…”

Maar ik luisterde niet meer. Ik keek niet meer. Ik kon ook niet, want mijn ogen traanden.
“Je zult zien,” hoorde ik tussen het snikken door, “morgen begint onze toekomst. Morgenavond vluchten we weg.”
Je bleef rustig toen ik het je vertelde, huilend, stotterend, jankend. Hans was het bos in getrokken met kruimels peperkoek, en jij had me gevraagd te zeggen wat er aan de hand was. Natuurlijk had ik niet voor jou kunnen verbergen dat er wat scheelde. Hoe kon ik ook. De gedachte alleen al van je te moeten scheiden, scheurde mijn gedachten, mijn woorden en mijn gevoel. Ik moest bij jou zijn. Begreep je dat nu? Hoe kinderlijk was ik niet!?
“Nee, niet kinderlijk.”, zei je: “Lief.”
“Ik hou van jou.”, zei ik toen.
“Dat weet ik.”, antwoordde je.
Dat was het moment waarop je naar me toe boog. Het moment waarop ik je lippen naar me toe zag komen, en voelde hoe mijn hart ook naar jou wou. Dwars door mijn lijf heen. Ik moest ook naar jou. Ik neeg ook naar jou. Mijn ogen werden zacht, mijn lippen groeiden, gloeiden en toen raakten ze elkaar.

We kusten, schat, die dag. We kusten lief, hard, zacht, diep, snel, lang, kort. Op de mond, mijn wangen, jouw huid, je schouders, mijn borsten, mijn armen, je handen je vingers je vingers je vingers wat deed je met je vingers wat doe je ik jij ja samen kus me nee niet ja doe nee stop niet ik bedoel ik weet niet alsjeblief nee ik hou van jou oh ik hou zoveel van jou ik hou van jou…Je leerde me mij kennen terwijl ik jou ontdekte. Wie was ik? Wie was jij? Het leek wel alsof je me helemaal opat, met huid en haar, en ik hield van elke seconde. Ik voelde me bevrijd, helemaal bevrijd. Je was een godin in mijn hemel.
We lagen samen op je bed, en ik voelde hoe mijn tranen in jouw haren verdwenen.
“Heb ik je pijn gedaan?”
“Nee, gelukkig gemaakt.”
Ik viel in slaap in je armen die middag, en we werden allebei pas wakker toen de zon al onder ging en de laatste stralen over de vloer van je kamer liet glijden… en een spoor van peperkoekenkruimels toonde…

“Nee! Nu! Niet morgen, niet later! Nu!”
Hans gooide al mijn kleren in dezelfde zak.
“Stop dat!”
“Stop dat? Stop dat?! Ik moet stoppen?!?!?!” Hij knalde mijn schoenen tegen de muur! “IK moet stoppen!?!? Hoor je wel wat je zegt, Griet? Wie is hier bezig? IK ben bij mijn zinnen! IK weet wat ik doe, en ik doe het nu: ik neem je mee! We gaan nu weg! Nu meteen!!”
“Ik wil niet, Hans!”
Hij greep me vast bij mijn schouders, wou brullen, maar slikte zijn woede in.
“Natuurlijk wil je dat niet, Griet. Ze heeft je betoverd. Ze is een heks, zie je dat dan niet!? Ze wil je verslinden. Ze wil je voor haar!”
“Dat is niet waar, Hans, ze… ”
“Ze wat? Ze wat, Griet? Ik weet het wat ze wil, maar jij weet het niet. Jij bent betoverd. Ze heeft je bedorven, Griet. Of nee: ze wil je bederven. Maar ik zal het niet toelaten! Ik neem je mee!”
“Bederven? Wat zeg jij nu?”
“Griet, ik heb jullie bezig gezien. Ik… Het is walgelijk. Ik… Griet, sorry. Het is mijn schuld. Ik had je niet hierheen mogen meenemen. Ik weet dat je er ook niet kunt aan doen. Maar ik wil je redden, dat voel je toch? Dat merk je toch! Wat ze met je doet, is niet goed. Maar jij kunt het niet verhelpen. Het is niet jouw schuld! Ik weet dat jij het ook verschrikkelijk vindt, maar…”
“Ik vind het helemaal niet verschrikkelijk!”
“Nee, nu niet, maar je lijdt onder haar betovering! Het is een heks, zeg ik je!”
“Ik lijd helemaal niet. Ik ben gelukkig, Hans! Gelukkig!”
“Dat zeg je door die betovering. Maar geloof me, Griet, neenee, ik ben niet betoverd. Met mij kan ze het niet, en ik kijk dwars door haar heen, ik doorzie haar spelletjes. Ik weet wat ze van plan is!”
“Wat dan? Wat is ze dan van plan?”
“Jou aan de graaf uitleveren.”, sneed je er doorheen.

Hans liet alles vallen. Hij balde zijn vuisten en klemde zijn kaken opeen.
“Je bekent dus.”
“Ah, kom, Hans. Ik ken de graaf en ik heb met hem gesproken, ja. Maar wat jij Griet hebt verteld is niet wat hij mij heeft gezegd. Hij wou nog een hofdame voor zijn zoon, en je vader had de bosmeester verteld dat je zus dat wel leuk zou vinden.”
“Leugens!”
“Oh ja?”
“Mijn vader wou Griet verkopen!!”
“Net als ik?”
“Net als jij!”

Je zuchtte, en draaide je naar mij: “Denk jij dat ik je wil verkopen, lief?”
Ik liep naar je toen en omhelsde je stevig. Steviger dan ik ooit had gedaan.
“Nee, Gwen.”
“Als je wil, mag je gaan. Ik hou je niet tegen.”
“Ik wil niet weg. Ik wil bij jou blijven. Ik… ik hou van jou.”
“HEKS”, schreeuwde Hans en hij stormde op je af met een mes in zijn handen.  Ik tilde mijn armen boven mijn hoofd en voelde het ijzer in mijn vlees dringen. Bot raken. Ik gilde. Jij donderde ook. Ik greep mijn pols vast. Het mes rinkelde op de grond. Kijk nu, schreeuwde Hans, en ik zakte op mijn knieën. Idioot, zei jij, en je knielde bij me. Ik zag je jurk in mijn bloed vouwen. Toon, zei je me, en je nam mijn arm. Kijk nu, gilde Hans weer, maar jij keek al. Van mijn arm naar mijn ogen. Je keek bezorgd, maar teder. Lief. Zacht. Boven het bonken van mijn arm uit. Komt wel goed, fluisterde je. Het is niet zo erg. Hans riep nog steeds op de achtergrond, hoorde ik tussen het kloppen van mijn hoofd door. Ik keek op en zag hem razen met tegen de deur. Ik keek ook op. Ga, zei je hem zacht, maar hij bleef razen.
“GA!!!!”, brulde je opeens. Groot, geweldig, overweldigend! Je ogen stonden wijd open en je gezicht was vlammend rood.
Hans zweeg, liet zijn armen zakken, stampte tegen de deur. Ramde de deur. En ging.

Toen keek je weer naar mij, en werd je weer zachtheid en liefde. Ik liet mijn hoofd tegen je borst zakken.
En snikte.
“Komt wel goed.”, fluisterde je.
Het kwam niet goed. Natuurlijk niet. Anders liep ik hier nu niet, door de nacht, door de takken, door het woud. Op weg naar jou, na al die jaren.
Ah, mijn arm werd wel beter, dat was niet zo erg. De snede was wel diep geweest, en ik had best wel veel bloed verloren, maar jij verzorgde mijn wonde, waste ze uit, verbond ze, en gaf me veel kussen. Vooral die kussen verzachtten de pijn.

Een dag, twee dagen, drie dagen was ik bang tegen je aangekropen, week ik niet van je zij, want ik vreesde dat hij terug zou komen. Ik zou gelijk krijgen, maar jij beweerde toen van niet. Jij had me gesust. Alles zou wel goed komen. Hans was even buiten zijn zinnen geweest, maar hij had me  vast geen pijn willen doen, en was nu vast heel erg geschrokken. Hij hield van mij, had je me gezegd, en hij had nu vast berouw om die uitval.
Ik had geknikt, maar ik was niet zo zeker geweest als jij.

Maar hij kwam niet terug, die eerste dagen, en het leek wel alsof jij gelijk had gehad. De pijn in mijn arm werd minder, en met die pijn ebde ook de angst weg. Het bonzen werd minder, mijn liefde voor jou groter.
Oh ja, het was liefde. Daar hadden we het die volgende dagen nog over gehad.
“Tuurlijk wil ik je niet verkopen, schat.”, had je gezegd, “Voor geen goud in de wereld. Want ik hou ook van jou. Vanaf de dag dat je aan mijn deur verscheen, was ik verliefd.”
“En ik op jou.”, gniffelde ik.
“Maar ik dacht: ‘Stil, Gwen, zo’n jonge, mooie, slimme meid is geen partij voor jou.”
Ik giechelde. Ik had ook wel meteen wat voor haar gevoeld, bekende ik, maar ik had niet eens geweten dat dat mogelijk was. Ik wist niet wat me overkomen was. Misschien was ik wel echt betoverd.
En toen had jij gegiecheld.
“Ja, liefde is hekserij.”, had je geknikt, “maar ik denk niet dat Knibbel Knabbel de toverspreuk is.”
“Nee, eerder het gevolg.”
En we hadden gegrinnikt.
“Het is ook niet Knuisje, maar Kruisje.”
“Hihihi, of Muisje.”
We hadden gelachen, die dag bij onze deegplaten. We hadden gelachen, gezongen, gedanst, geknuffeld en gevreeën. Wat hield ik van je. Dat had ik herhaald, de hele nacht door, terwijl jij mij kneedde als het liefste deeg dat je ooit in je vingers had gevoeld. ‘Ik hou van jou. Ik hou van jou.’ Tot we uitgeput, o zo uitgeput maar o zo voldaan tegen elkaars huid in slaap waren gevallen.
Dat was de laatste nacht die we samen hebben doorgebracht.

Ik ben er, mijn lief.
Ik zie je huisje.
En ik huil.
Dit is niet meer het huisje dat ik die eerste nacht zag. Dit is geen sprookjeshuisje meer. Je huis is stuk. Zwart.
Scherpe, verbrande randen prikken uit de grond, wijzen omhoog als scherven zwart glas. Ze rijten de grond open en klauwen naar de wolken die voorbij trekken. Ze krijsen door de aarde en snijden door de nacht.

Zoals jouw gillen die dag. Ik hoor het nog.
Ik was in het woud toen ik je hoorde. We wilden net iets nieuw proberen. Koek met appel. We hadden de appels al geschild en gesneden, het deeg was gekneden en was aan het rijzen, en dus konden we nu even niets doen. Of ik hout kon sprokkelen, had ik gevraagd.
“Ja, altijd een goed idee.”, had je gezegd en je had me gekust. Onze laatste kus.
Ik genoot og van die kus, toen ik je hoorde. Het hout dat ik sprokkelde liet ik meteen vallen en ik rende naar ons huisje. Ik gleed uit over het mos, schaafde mijn knieën, haalde mijn jurk en mijn vel open, maar dat voelde ik niet, want jouw kreet sneed dieper.
Ik hoorde je ‘nee’ gillen, en ‘Griet’, maar al snel werd het enkel pijn, ondraaglijke pijn. Ondraaglijk om te horen, hoe moest het dan wel zijn voor jou???
Ik huilde en gilde al voor ik thuis was en het vuur zag. Voor ik zag hoe je ineen zakte, vastgeprikt aan onze oven, terwijl het vuur om je heen greep.  Ik huilde, gilde, gierde, krijste, tierde, schreeuwde en rende naar je toe, maar hij nam me vast. Ik sloeg, maar hij was sterker. Ik beet, maar hij was sterker. Ik schopte, maar hij was sterker en drukte me tegen een boom.
“Ik red je.”, siste hij. En toen verdween de wereld.

De wereld was er niet meer. Zeven jaar lang was er geen wereld. Er was niks. Alleen jij. Je gillen. En ik die naar je smachtte. Hunkerde. Je gillen en mijn nachtmerries. Badend in het zweet werd ik wakker.
“Alweer”, bromde Hans dan.
“Ik moet even naar het toilet.”, zei ik dan, en dan controleerde hij de ketting aan mijn been.
Ik lachte niet meer. Kon niet meer lachen. Kon niets meer. Behalve denken aan jou, en hoe ik bij jou kon geraken.

In het begin had ik nog gerend, was ik gevlucht, maar hij had me steeds ingehaald, me op de grond gegooid. De betovering zat diep, wist hij, en vertelde hij ook aan de buren, die hij over de heks in het bos had verteld. Ze kenden je en knikten. Ze hadden je tenslotte zelf ook verjaagd uit hun dorp toen je meisjes had betoverd. Zij waren het geweest die je de ketting hadden aangeboden. Tot de betovering was uitgewerkt. De smid had me vastgeklonken. Alleen hij zou de ketting los kunnen maken, had hij zijn werk bewonderd, waarna Hans en enkele buren even aan de schakels hadden getrokken om de stevigheid te controleren.
“Ze komt wel tot haar zinnen. Vroeg of laat vergeet ze de heks wel. En dan mag de ketting eraf.”

Nee, mijn lief. Ik vergat je niet. Ik kan je niet vergeten. Je gillen niet. De brandende appels niet, maar je kussen, je strelen, je liefde nog veel minder. Ik hou van jou. Nee, ik vergeet je niet.
Ik neem brokstukken, en leg ze opzij, mijn lief. Het dak, denk ik. Een balk. Een raam. Ik wrik, en wat gaat het makkelijk, en maak de keuken vrij. Stuk na stuk gooi ik opzij. Steeds feller, harder en krachtiger. Ik heb me nog nooit zo sterk gevoeld. Ik ruik niet alleen verbrande balken en hout, mijn schat. Ik ruik onze appeltjes, ik ruik de kruiden, ik ruik je koeken. Ik ruik ons huis. Ik kom, mijn schat, ik kom thuis.
De paal. De muur, die ellendige muur waar je stond. En daar… de oven. Het ijzer ligt er nog, krom, gebogen, gesmolten. Als een ketting rond een verbrand lichaam. Ja.

As. Ik voel in de as.
Mijn handen voelen je as.
Mijn handen voelen je huid.
Ik ben er, mijn schat. Ik ben thuis.
Ik leg me neer. Verdwijn in jou. En kus je.
Jij kust mij.
“Ik wist wel dat je zou komen.”, fluister je, en je veegt de haarlok weg uit mijn ogen. “Niemand kan aan mijn toverspreuk weerstaan.”
“Kniebel Knabbel”, giechel ik.

Niks zo zinnig als onzin

sensible_nonsense_by_astral_haze-pngIk ben dol op onzin.
Het maakt me niet alleen aan het lachen, het geeft me ook echt een opgelucht gevoel. Het peutert die wanden van ernst en zekerheid open waartussen we overdag kleine rondjes lopen. Een rondje voor ons werk, een rondje voor de omgeving, een rondje voor onszelf, een rondje omdat het nu eenmaal zo hoort. We lopen de hele tijd maar rondjes tussen muren van grote waarheden, verwachtingen, gewoontes en vaste gezegdes die zo troebel zijn geworden dat we de buitenlucht niet eens meer zien.
“Hoe gaat het?”
“Goed. Druk, he. ’t Werk.”
“Ja… Je komt toch ook naar de vernissage?”
“Tuurljk!”

Het is belangrijk dat je die vernissage ziet, die nieuwe modezaak, dat sublieme optreden, die onwaarschijnlijke tentoonstelling, dat je dat boek leest, gaat eten in die ene zaak, op reis gaat naar dat verreweggebied of gaat kijken naar die nieuwe film die zoveel prijzen won in Cannes/Berlijn/Hollywood. Je zet je in voor dit of tegen dat. Je doet mee met die beweging waarvoor je minder moet eten, minder mag drinken, net meer gin & tonic moet drinken, moet rennen, springen, vliegen, duiken, vallen en alsjeblieft wel weer moet opstaan. Achteraf kun je – bij het nuttigen van een glas spuitwater/cava/kombucha/appelthee-maar-niet-van-die-zoete/nespresso/oh-nee-zeker-geen-nespresso/nee,dan-toch-maar-thee-want-thee-is-wijs-is-altijd-goed,-ja-thee, T-moet – naar believen uit een van de volgende thema’s: banken, vrije meningsuiting, IS, N-VA, klimaat, de angstcultuur, GMO, de kloof tussen (in te vullen naar wens), burn out, langer werken, vakantie, auto’s, verkeer, fijn stof, cultuur en vele, vele anderen (“natuurlijk van Arcade“).
Dat is belangrijk.
Dat is zin.

tumblr_m0y44f2NQi1qld8l1o1_400Zin van onzin?

Ik vind dat dus ook, he. Dat is zin. Zin die we met zijn allen bouwen, woordje na woordje, komma na komma, de punt uitstellend tot op het eind van de pagina en liefst daar voorbij.
Maar soms, wanneer de avond valt over de pantoffels die ik niet aantrok omdat ik er geen fut meer voor had, en daarbij nog eens zijn knie bezeert, heb ik geen zin in zin. Dan wil ik een schaar, en knip ik me een weg naar buiten. Knip door een bijzin, snap door een nu niet meer zo zelfstandig naamwoord, scratch door een taalregel, een regel, een tussenderegel en snip snap door de hele wereld van papier heen tot ik buiten sta, bedekt met restjes alfabet en flarden tekst. De E’s gooi ik dan weg en ik ga O’s zeven tussen de Ah’s en Hi’s, terwijl de U’s mogen toekijken.

Onzin is ontsnappen. Onzin is vrij zijn. Onzin is de wereld de wereld laten, alles laten zelfs en vooral geen wereld eigenlijk. Nee, onzin is net niet wereld is onwereld, en giechelen om het stoute onzeggen, onspreken en onmoeten. Zonder T graag, want dat moet al teveel.

Gewoon wij. En het ongezegde. En de Jabberwocky uiteraard. In het Afrikaans, want het is woensdag.

Zin in onzin?

Haast je dan als een ei op wielen naar de boekhandel voor Het Perplexicon van Boelens en Komrij, met teksten van Lewis Carroll, Woody Allen, Ionesco, Becket, Charms, W.C. Fields, Jan Hanlo…