Tussen de gaten van mijn geheugen

Tussen de gaten van mijn geheugen

3 april 2019 Uit Door Fran Bambust

Bij de opening van het academisch jaar ’84-’85 gaf ik mijn eerste universitaire lezing. Het was als grap bedoeld. Ik was kringverantwoordelijke en zou een nep-les geven aan de nieuwe eerstejaars. De psychologische kring wees dooprituelen toen al resoluut af. Verder dan een nep-les gingen we niet. Dat ik zelf pas een tweedejaars was en een heel onwaarschijnlijke professor moest voorstellen, vonden we blijkbaar geen bezwaar. Dit werd lachen. Alleen… ik liet me meeslepen en bedacht een echte les, met een echt onderwerp dat me toen al mateloos boeide. “Wij”, zo begon ik de les. “zijn ons geheugen. En het ding deugt langs geen kanten.”

Vijfendertig jaar later ben ik het er nog altijd mee eens. Dat moet wel, want ik heb de herinnering vast bijgekleurd zodat ze past bij mijn huidige ideeën. Toen al vertrouwde ik mijn geheugen niet en nu zo mogelijk nog minder. En toch, zo besefte ik, zijn we veroordeeld tot dat geheugen. We hebben nauwelijks een direct contact met ons leven, met dat opgehemelde ‘nu’. “Er is geen ‘nu’,” oreerde ik, “Nu is altijd net weg. Datgene waar je mee omgaat, is een herinnering aan een serie gewaarwordingen gefilterd door een ouder set fluïde maar kristalliserende herinneringen.”

“Dit wil ik voor altijd onthouden”

Oh, we kunnen wel zorg dragen voor ons geheugen. Dat besef ik. Maar dat spreekt het probleem niet tegen, het bevestigt het net: ons geheugen is stuurbaar en dus onbetrouwbaar. Voor elke herinnering die ik bewust verwoord en zorgvuldig heb opgeslagen – met wisselend succes overigens – heb ik er duizenden onbewust op een compleet toevallige, achteloze wijze in een hoek gegooid.

Op een bepaalde middag diezelfde maand stond ik op een rotonde in de buurt van de Lovensveldstraat in Kesselo uit te kijken in de richting van een supermarkt. Kan ik dit beeld inprenten, vroeg ik me af. Kan ik dit zo goed in me opnemen dat ik het decennia later weer kan oproepen? Een uur lang heb ik daar gestaan. Dat had ik mezelf opgedragen. Ik zou ook zo weinig mogelijk verwoorden, maar vooral het beeld proberen op te slaan.

Zonet heb ik mezelf voor het eerst in al die tijd toegestaan om met Google Maps na te gaan of het beeld dat ik me nog herinner wel strookt met de realiteit… Ik had nog wel een ‘weide’, ’rotonde’, ‘open ruimte’ en ‘supermarkt’ in gedachten, maar die stonden niet op de plaats waar ik me herinner en zagen er ook helemaal anders uit. Nu is er wellicht wel wat veranderd aan de omgeving, maar de supermarkt zal vast niet verplaatst zijn naar de overkant van de straat. Het opmerkelijkste is echter dat ik enkel de verwoordbare dingen min of meer kon oproepen. Wat ik niet verwoord heb, was uitgewist.

Een woord, een anker

Ik geloof nogal in het bouwende en verbindende belang van narratieven: verwoorde connecties van ideeën, beelden, gevoelens, handelingen, betekenissen… We onthouden narratieven veel makkelijker, omdat ze enerzijds – dit is trouwens nattevingerwerk, hoor, geen wetenschappelijk betoog – associatief veel ankers uitgooien en anderzijds emoties kunnen oproepen die de geheugensporen versterken. Elke woord kan een pak associaties in zich dragen en is zo een stevig anker; emoties zijn de klimplanten die rond de ankerlijnen kronkelen en ze vaak organisch lijken vast te zetten, maar vaak ook verhullen.

Begrijp me niet verkeerd, ik weet ook wel dat een madeleine een verloren tijd weer kan laten opduiken. Een melodie kan een hele sfeer oproepen en een oude foto trekt een blik aan herinneringen open, ja, een geheugenpaleis kan boeken vol informatie bevatten… Maar narratieven maken het toch hanteerbaarder. Een goed geheugenpaleisbouwer zal overigens niet die ene telefoon met dat kleur en die stekker op dat kastje zetten om een bepaalde associatie op te roepen. Een algemeen idee van telefoon kan vaak volstaan. In de tekening hierboven tekende ik niet per se de televisie, of de bank, of het tapijtje waarmee ik ben opgegroeid. Ze volstaan om de associatie op te roepen via enkele in mijn hoofd verwoorde en zo verankerde elementen. Zelfs het wit-met-rode jurkje dat meermaals op de prent terug komt, klopt niet. Ik vermoed niet dat ik dat ooit heb aangetrokken. Wiske had dat jurkje en Wiske was ook prominent aanwezig in mijn jeugd, maar dat was niet het jurkje dat ik zo vaak bij mijn nicht ging lenen. Als ik mij niet vergis, was dat monochroom rood of roze. Maar wellicht vergis ik me.

Een tekening van een huidig verleden

De tekening die ik deze week maakte, is dan ook geen tekening van mijn jeugd. Die kan ik niet maken. Mijn herinnering aan mijn jeugd zit vol gaten en wat tussen de gaten in hangt, is bijgekleurd, aangedikt, geselecteerd en misschien onbewust maar wel doelgericht gefilterd om beter te passen in een huidig zelfbeeld. Mijn therapeute vroeg me om de kleine Franky te tekenen. Verder dan dit geraak ik niet.

Het ziet er pijnlijker uit dan het was, vermoed ik. Ik had helemaal geen droevige jeugd, denk ik. Ik was heel blij en heel vaak onbezorgd gelukkig. Een paar kleine kiezels zijn echter in mijn sokken blijven steken en zijn zo tussen mijn tenen geraakt waar ze wondjes hebben veroorzaakt die zijn gaan etteren en die decennia later littekens opleverden. Ik heb het er de voorbije therapeutische sessies vaker met mijn therapeutes over gehad en ik vermoed dat het praten de littekens steeds groter maakt eerder dan ze weg te werken. Wat je benoemt, krijgt massa. Wat je benoemt, wordt verankerd en wordt herinnering. Omgaan met jeugdherinnering is dan ook altijd een creatie van een nieuwe jeugd in een huidig verleden.

Wat probeer ik dan eigenlijk te verwerken tijdens die sessies, vraag ik me af. De gecreëerde jeugd of de stiften die ik hanteer om die jeugd bij te kleuren? Best lastig wanneer je beseft dat ook die stiften zijn aangeboden door gecreëerde en bijgekleurde herinneringen… Het tapijt rafelt uiteen wanneer je aan een los draadje gaat trekken. Als ik mijn geheugen ben, en mijn geheugen is een onbetrouwbare constructie… wat zegt dat dan over mij?

Ja, dat zou lachen worden, die nep-les, dachten we vooraf. Maar ik liet me meeslepen. Het werd de ernstigste lezing van mijn leven.