Adem in, adem uit: het plezier van orde en wanorde

Een van de grote geneugten van een rijk gevulde boekenkast is dat je ze steeds weer opnieuw kunt ordenen. Je kunt ze alfabetisch zetten volgens auteur, volgens boektitel. Je kunt ze schikken van groot naar klein, van meest geliefd tot nog niet gelezen. Je kunt ze groeperen per kleur, per geur of per uitgeverij of per taal. Je kunt ze ordenen volgens het aantal pagina’s, het soortelijk gewicht, het langste erin voorkomende woord of de snelheid waarin je ze hebt gelezen. Of associatief want dit boek doet denken aan dat boek. Of in periodes waarin je ze hebt gelezen. Of naar onderwerp, naar thema, volgens het aantal keer dat je hebt gehuild of gelachen of ‘verhip’ hebt uitgeroepen. 

Ik kan eindeloos genieten van ordeningen en opsommingen zoals je die vindt bij Calvino, Borges of Greenaway, nu eens geschikt volgens het alfabet, dan weer tellend van 0 tot 100 in een warrige volgorde. De boeken van Prospero, de sterren van Beta, de spellen van Smut, de dierenlijst van John Wilkins, de onzichtbare steden… Nu eens volgens ze een logische methode, dan weer een heerlijk arbitraire. En dat laatste is zo heerlijk bevrijdend. Het helpt je ontdekken dat elke orde eigenlijk arbitrair is. 

COQgolSUsAAzSPY

Lijst van dieren in een ‘Chinese encyclopedie’ – J.L. Borges

Ontsnappen uit orde

Spelend met classificaties, modellen en structuren ben ik net dat als de eb-en-vloed-beweging van mijn gedachten gaan beschouwen: orde creëren en er iets later weer uit ontsnappen en dan weer in een nieuwe orde neerdalen en dan weer ontsnappen… Een ritme van zalige rust en wonderlijke wanorde, een cyclus zo verkwikkend als in- en uitademen, als ontwaken en slapen. 

De wanorde en veelheid van ideeën, feiten en gegevens maken me onrustig en doen me schikken en ordenen. Ik verzin een model en krijg grip op de wereld die er plotseling helder en bevattelijk uit ziet. Gedrag ontstaat uit 7E’s, een beleving is ELVIS, orde is PRACHT, en goed is een groep WELPJES. 

Daar werk en leef ik een tijd mee. Het helpt mij en – zo merk ik tot mijn heerlijke verbazing – het helpt vaak ook anderen. En dan opeens komt er een andere opdeling langs of een vraag die de ordening onderuit haalt. Het hart wipt op, de ogen gaan wijd en een glimlach krult zich om mijn mondhoeken. Ik zou boos moeten zijn of ontgoocheld, maar zo is het niet. Gek genoeg voelt het breken van een orde als een bevrijding, een vrolijke verwondering die me weer blootstelt aan de oorspronkelijke wanorde die bestond voor het benoemd was. Benoemen schept een wereld, maar vernielt er ook een. Benoeming wissen maakt nieuwe werelden mogelijk. 

BouwstenenModel_180806

Verwondering in eb en vloed

Net zozeer als ik geniet en bijna tranen in de ogen krijg wanneer een orde zo volkomen en wiskundig lijkt, net zozeer raakt het me wanneer ik de weg weer terug vind naar het ongenoemde. Is kunst, zo vraag ik me dan af, niet dat: je losmaken uit bekende patronen, je teruggooien op het ongestructureerde en dan nieuwe patronen aanbieden? En is amusement dan niet het spelen met de bestaande vertrouwde patronen en genieten van hun potentie? Is wetenschap ook niet zoeken naar orde en structuur, het bevragen en weer herschikken, steeds teruggrijpend naar het ongenoemde? Terwijl techniek en technologie werkt met de gevonden structuren? 

Het ene is niet beter dan het ander, denk ik. Ik geloof niet dat het in se beter is om te schikken en te herschikken of gebruik te maken van patronen en vormen of je vol overgave aan het naamloze te wijden. Is inademen beter dan uitademen? Is eb beter dan vloed? De mix doet het voor mij. 

PRACHT. Een orde in de orde.

Omdat ik nu eenmaal graag met dat ordenen bezig ben, heb ik ook een modelletje voor het ordenen bedacht. Je kunt uiteraard structureren zoals je wil, met een natte vinger als leidraad of elk arbitrair principe of helemaal principeloos zoals de wanordelijke lijsten van Borges, Calvino, Joke van Leeuwen en andere meesters van het vrije schikken. Maar je kunt ook voorgeprogrammeerde ordeningen uit de kast nemen. PRACHT is een poging tot schikken van die bekende ordeningssysteempjes. Je bent er niks mee of alles, maar het biedt weerom een houvast in een wereld vol wanorde waar zelfs orde structuur mist.

Hieronder vind je PRACHT in het wielrennen. Wielrenners geordend volgens Plaats – goed voor het supporteren -, Rangorde – goed voor pronostieken -, Alfabet – handig voor het opzoeken -, Categorie – wanneer je een veelzijdig team wil samenstellen -, Hiërarchie – voor het bepalen van prioriteiten -, en Tijd – wanneer je graag de klok volgt. Binnen elk van de opdelingen kun je ook nog gaan kiezen. Plaatsen kun je groeperen, Reeksen en Rangordes kun je opmaken volgens elke kwantitatieve maatstaf, Alfabet voor elk label van naam, voornaam tot teamnaam, Categorie voor elke handige opdeling, eventueel met overlappende Venndiagrammen en meerdere categorische waarden per onderdeel, Hiërarchie in functie van gebruik en Tijd naar de schaal dat jou uitkomt. Tijd is overigens de subgroep van Reeks of Rangorde waar het getal een jaar, maand, dag, uur, minuut of seconde is, maar dat hoeft verder niemand te weten. PRACH is toch net iets mooier met een T erachter, nietwaar.

PRACHT

De figuren op de kaartjes zijn van ProCyclingTrumps.

Nudging of de kunst van het slimme duwtje

(Dit artikel verscheen eerst op Stadslab2050. Beeld: http://www.omgevingspsycholoog.nl)

Als je over duurzaamheid, campagnes of communicatie praat, komt vast opeens het begrip ‘nudging’ naar boven. “Je moet niet communiceren,” zegt iemand dan, “je moet nudgen.” Simpelweg betekent het dat je de doelgroep een duwtje in de juiste richting moet geven, maar er zit een hele denkwijze achter.

Erkennen dat mensen mensen zijn

Nudging staat immers voor een aanpak die erkent dat mensen hun gedrag doorgaans niet rationeel bepalen. We staan echt niet stil bij elke keuze die we maken. Soms doen we wat anderen doen, wat ons moeder ook al deed, wat we gewoon zijn, of wat makkelijkst of meest aantrekkelijk lijkt. En als we dan al stil staan bij een keuze, slagen we er vaak niet in om alle voor- en nadelen goed in te schatten of af te wegen. We worden bij onze keuzes erg gehinderd door vooroordelen, foute verwachtingen, fake news, filterbubbels, gekleurde frames en onze eigen beperkte energie. Het kost immers moeite om alles te doordenken en dat hebben we er vaak niet voor over.

Nudging vertrekt vanuit deze visie op de mens en probeert ons zo naar het gewenste gedrag te sturen. Soms door gebruik te maken van onze hang naar gemak, sociale erkenning of met opvallende verleiders, soms door ons op het juiste moment toch halt te laten houden en ons te wijzen op de meest interessante keuze.

Maak het gemakkelijk

Het belangrijkste aandachtspunt is dan ook dit: maak het gewenste gedrag makkelijker, het ongewenste moeilijker. Wil je zelf minder koekjes eten en meer fruit? Zet dan de fruitmand op tafel en de koekjestrommel op de bovenste plank in de bijkeuken. Leg de cake in de verpakking op tafel en zet het fruit voorgesneden in een bokaal voor je neus.

In zijn meest extreme vorm maak je van het gewenste gedrag de default, het standaardgedrag. Als je niks doet, krijg je het gewenste resultaat. Alleen als je er wil van afwijken, moet je je inspannen. Stel de printer bijvoorbeeld in op ‘dubbelzijdig printen’, dan moet je moeite doen om enkelzijdig te printen. In België zijn we automatisch orgaandonor, tenzij we ons uitschrijven. Of de kantine biedt op donderdag enkel vegetarisch eten aan, tenzij je er de dag voordien of voor elf uur expliciet hebt om gevraagd.

Kiezen staat vrij

Die ‘tenzij’ is belangrijk. Een nudge laat je de keuzevrijheid. Als je op donderdag met geen mogelijkheid vlees kunt krijgen in de kantine, spreken we niet van nudging. Dan dwong je de keuze af.

Nudges laten toe dat je het ongewenste gedrag toch kan stellen en zullen een probleem dus nooit 100% oplossen. Meer nog, als mensen bewust kiezen om zich toch nog uit te schrijven uit het orgaandonorregister, dan heb je het goed gedaan als nudger. De uitschrijvers bewijzen immers dat de keuzevrijheid gewaarborgd blijft.

Nudges noemen we dan ook zachte ingrepen: een stippellijn op de grond die naar de trap leidt, voetstappen naar een vuilnisbak, een vlieg op het urinoir, een herinnering die opduikt op je computerscherm of de melding dat ‘78% van de afdeling met de trein naar de opleiding reist’ onderaan een nieuwsbrief.

Het verleidelijke juk van de sociale druk

We kiezen graag wat anderen ook kozen. Ook dat is menselijk, al te menselijk. Nudges maken daarom ook vaak gebruik van ons verlangen erbij te horen, en ons niet uitgesloten te voelen. De nudger ziet jou daarbij niet als een willoos kuddedier, maar net als een individu dat zich identificeert met een groep omwille van een of meerdere kenmerken: geslacht, afkomst, hobby’s, beroep, opleiding, seksuele oriëntatie, muzieksmaak, religie …

Die identificatie is de sleutel van de sociale nudge: “mensen net als ik, met die en die interesse, deden dit ook”. Nudge nudge. Niet: “iedereen doet het”, want ik voel me toch net anders dan zo’n vage ‘iedereen’.

Zo ben ik nu eenmaal

Ik wil consistent zijn binnen mijn sociale identiteit, en dus zal ik me, ook binnen een niet-conformistische subcultuur, toch conformeren aan die normen.

Maar ook los van de sociale druk blijf ik graag consistent en trots. Als je me eerst laat vertellen over mijn mooiste fietsherinnering en me daarbij ook zinnetjes ontlokt als “ja, ik ben zo’n rustige fietser” of “ik ben iemand die altijd gaat vlammen als het bergop gaat”, is de kans een heel stuk groter dat je me kan meelokken naar een fietstocht. Want “dat is echt iets voor mij”.

De truken van de foor

Echt nieuw zijn ze niet, deze ingrepen. Marketeers kennen ze al decennia lang. Daarom liggen de duurste producten op ooghoogte en de goedkope alternatieven boven- of onderaan. Daarom liggen er snelle verleiders bij de kassa. Daarom kan ik zien wat in winkelwagentjes van anderen ligt. Daarom vraagt de verkoper niet of ik de auto zal kopen, maar of ik hem in het blauw of in het rood wil. We worden voortdurend genudget door commerciële bedrijven.

Let wel: extra incentives, cadeautjes of subsidies beschouwen we niet als nudges. Net zo min als boetes of straffen. De bekende wortel en de stok zijn geen nudges. Een nudge moet inspelen op gemak, sociale druk, consistentie, timing, frames … op een hang naar psychologisch comfort.

Manipulatie of transparantie

Ruikt dat naar manipulatie? Het is alvast wel beïnvloedend, maar ethische nudgers vertrekken doorgaans vanuit een breed gedragen doel en geven graag en openlijk toe dat ze dat ene doel, dat ene gedrag prefereren en stimuleren. Dat moet de manipulerende mogelijkheden ervan binnen de perken houden. Het klinkt dan ook als een duidelijke leidraad – wees transparant, kies gedragen doelen en voorzie keuzevrijheid – maar in de praktijk is niet altijd even helder welke doelen gedragen zijn en hoe transparant je dan precies moet zijn.

Word ik genudget?

Alleen al het feit dat je wellicht niet weet of en wanneer je bewust genudget wordt, toont al aan dat die transparantie niet zo evident is. Stond je erbij stil dat dat zandlopertje bij het rode licht een nudge is? Dat die routeplanner, die je om de stadskern heen loodst, een nudge is? Dat je eierwekker en vooral die timer op je magnetron nudges zijn?

In landen waar een Nudge Unit is opgericht, zoals de Verenigde Staten, Groot-Brittannië of Denemarken, wordt af en toe geprobeerd om met wetenschappelijke precisie te bepalen welke ingreep nu best werkt. Of je een foto moet plaatsen bij je aanmaning of niet. Of je mensen het vlotst laat registreren via consistentie, sociale druk of informatie.

Vlaanderen duwt

In Vlaanderen gebeurt dat nog zelden zo wetenschappelijk en al helemaal niet systematisch, al wordt wel steeds vaker gezocht naar manieren om die gedragsinzichten mee te nemen bij het bedenken van ingrepen. Steeds vaker proberen we zo ook in Vlaanderen af te stappen van de idee dat je mensen in beweging kunt brengen met enkel brochures, posters of busstickers. Dat je moet overtuigen of zwaaien met doembeelden of gadgets.

Ah, die dingen doen we nog wel en ze hebben eigenlijk ook hun waarde, maar voortaan vertrekken we in Vlaanderen, in de provincie en zeker ook in de stad Antwerpen graag vanuit die inzichten uit de sociologie en de gedragspsychologie. Voortaan erkennen we dat mensen mensen zijn. En we geven ze een duwtje.

 

Perceptie slaat de bal mis

ipsos-mori-perils-of-perception-charts-2016

Ipsos Mori heeft zich in 2016 weer eens gebogen over onze perceptie, en hoe we hiermee de bal wel eens misslaan…

Deze tekst is een hertaling van het artikel van Ipsos Mori naar aanleiding van de publicatie van hun ‘Ipsos Perils of Perception Survey 2016’. De oorspronkelijke tekst keek naar Groot-Brittannië, ik hou het bij de cijfers van Nederland en België.

Perils of perception in een notendop

De meest recente Ipsos Perils of Perception-bevraging vroeg zich af hoe mensen in veertig verschillende landen sleutelbegrippen en -bevolkingsthema’s fout inschatten. De onderzoekers ontdekten o.a. dat

  • we het aandeel moslims in onze bevolking doorgaans stevig overschatten, ook al neemt dat aandeel bijzonder snel toe;
  • onze bevolking gelukkiger is dan we vermoeden;
  • onze landgenoten toleranter zijn tegenover homoseksualiteit, abortus en seks dan we denken;
  • we denken dat welvaart en rijkdom gelijkmatiger verdeeld zijn dan het geval is.

De onwetendheid van Belgen en Nederlanders

schermafbeelding-451

Ook Nederland en België werden bevraagd, en al waren onze inschattingen soms best knap, soms sloegen we de bal wel lelijk mis.

  1. De moslimbevolking: Zowel Belgen als Nederlanders overschatten het aandeel moslims in de bevolking. De Belgen vermoeden dat het om 23% van de bevolking gaat, terwijl Nederlands het aandeel op 19% schatten. In werkelijkheid gaat het om resp. 7% en 6%. We zien het aandeel allebei drie keer groter, kortom. Kahneman zou opperen dat hier wellicht een “WYSIATI”-systeem in het spel is: What You See Is All There Is: wanneer we veel over iets horen, dan kunnen we het ook makkelijk oproepen en overschatten we de aanwezigheid ervan.
  2. Toekomstige moslimbevolking: De moslimbevolking groeit, dat is duidelijk, maar we verwachten een veel scherpere aangroei dan het Pew Research Center. Dat centrum verwacht voor België en Nederland dat het zal opklimmen tot 7,5% resp. 6,9% in 2020, terwijl we verwachten dat we naar 32% evolueren in België en naar 26% in Nederland. Meer dan een kwart van de bevolking, denken we dus. Terwijl het nog niet om een tiende gaat.
  3. Geluk: Ipsos laat de Belgen hier even links liggen, maar merkt wel dat Nederlanders het geluksniveau van hun landgenoten als tweede beste weten in te schatten, al zitten ze er nog 28 procent naast. 84% noemt zich erg of nogal gelukkig, maar we vermoeden dat slechts 57% zich zo zal labelen.
  4. Homoseksualiteit: Slechts 5% van de Nederlanders, Denen en Noren vinden homoseksualiteit moreel onaanvaardbaar, 7% bij de Belgen. We horen zo bij de meest open bevolkingsgroepen van de 40 bevraagde landen. Toch schatten we onze landgenoten minder hoog in. In Nederland vermoeden we dat 36% het laakbaar vindt (zeven keer zoveel dus), en in België denken we dat 29% hun neus op trekt voor homoseksuelen (vier keer zoveel). Laat ons trotser zijn op onze landgenoten, denk ik dan. Pride for all.
    ipsos-mori-perils-of-perception-charts-2016_3
  5. Seks tussen ongehuwden: In Nederland vinden slechts 5% van de inwoners seks tussen ongehuwde volwassenen moreel onverantwoord. Alleen de Denen gaan er met hun 2% nog vlotter mee om. In België ligt het iets gevoeliger, en vindt 14% van de Belgen het onaanvaardbaar, terwijl we vermoeden dat 28% van de Belgen het maar niks vindt. Al bij al een aardige schatting als je merkt dat Nederlanders vermoeden dat 34% van hun landgenoten gruwen van seks tussen ongehuwden. Een overschatten van bijna 700%.
  6. Abortus: Belgen en Nederlanders slaan allebei als koplopers de bal mis waar het over abortus gaat. “37% vindt het onaanvaardbaar”, antwoorden we in Nederland; “31% gruwt”, denken we in België. Maar in werkelijkheid staan we in beide landen heel erg open: resp. 8% en 6%.
  7. Rijkdom van de basis: In België hebben we hier een goed zicht op de ongelijkheid, zo blijkt. We vermoeden dat de basis van onze samenleving, de 70% minst rijken, 26% van alle rijkdom bezit, terwijl het om 25% gaat. In Nederland bezit die 70% slechts 18% van alle bezittingen, maar hier denken we dat het om 29% gaat.
  8. Huiseigenaars: In België denken we dat de helft van de gezinnen in hun eigen huis woont, in Nederland denken we dat het om 45% gaat. In werkelijkheid gaat het om 63% in België, tegenover 56% in Nederland. We overschatten dus het aantal huurders…
  9. BNP en gezondheid: Zowel in België als in Nederland gaat 11% van het BNP naar gezondheidszorg. Een aanzienlijk bedrag. Allen in de VS (18%) en Frankrijk (12%) wordt meer uitgegeven. Toch denken we in beide landen dat het meer is. In België vermoeden we dat het om 22% van het BNP gaat, en in Nederland gokken we op 19%. Eerlijk gezegd, vraag het me volgende week en ik heb het ook fout. Al wist ik hoeveel het BNP bedraagt, dan nog zegt het me niks.
  10. Huidige bevolking: Zowel in Nederland als België hebben we een behoorlijk goed zicht op de grootte van onze bevolking. Nederlanders schatten de bevolking doorgaans op 17 miljoen, wat dicht bij de werkelijke 16.940.000 zit, en Belgen houden het bij 11 miljoen, wat intussen al is gegroeid tot 11.270.00. Even kijken naar de jury… Jawel, die rekent het goed.
  11. Bevolkingsgroei: Als we echter met de natte vinger over 2050 nadenken, wijken onze inschattingen wel een tikkeltje af van die van de Verenigde Naties. In Nederland denken we dat we naar 19 miljoen klimmen, terwijl de VN verwacht dat het rond de 17,6 miljoen strandt; in België gokken we op een ronde 13 miljoen in 2050, terwijl de VN iets terughoudender gokt op 12,5 miljoen. Faites vos jeux, place your bets, the game is on.
  12. Trump: Achteraf konden we wel zeggen dat we vermoed hadden dat Trump zou winnen, maar Ipsos heeft het zwart op wit. De bevraging liep een maand voor de verkiezingen, en jawel, hoor: zowel Nederlanders als Belgen waren behoorlijk zeker van Clintons overwinning. 74% zei dat de democrate zou winnen, slechts 10 tot 11% vermoedde dat Trump het zou halen. Ik geef toe. Ik was bij de 74%.

Index van onwetendheid

Als je de vijf vragen die om feiten gaan (aantal moslims, aantal inwoners, aantal huiseigenaars, BNP vs gezondheidsuitgaven en rijkdom van de basis) als maatstaf gebruikt, kun je een rangorde van accuraatheid opmaken, een index van onwetendheid. En wat blijkt dan? Dat Belgen de 13de plaats innemen, en Nederlanders zich de meest accurate inschatters mogen noemen. India, China en Taiwan voeren dan weer de omgekeerde Index van Onwetendheid aan…

ignorance
Wil je meer weten? Cijfers zien? Nog meer mooie grafieken? Haast je dan naar de website van Ipsos Mori zelf, download de pdf en ontdek dat Rusland Trump de meeste kansen gaf, dat Indiërs nog meer huiseigenaars kent en er nog minder vermoedt, en dat vooral Fransen het aantal moslims overschat.

Wie verontwaardiging zaait, zal afkeer oogsten

vincent_van_gogh_-_wheatfield_under_thunderclouds_-_google_art_project

Gematigde politici worden genadeloos afgestraft, ter linker én ter rechter zijde, zowel door oppositie, door interne concurrenten en door het middenveld die met grove woorden en verontwaardigde beelden een doembeeld oproepen. De instellingen worden verdacht gemaakt als pionnen van Big Dit of Big Dat, als onderdrukkers van de kleine man, als waanwijze despoten die geen oog hebben voor de noden van de gewone burger. Instellingen worden, zodra iets niet helemaal soepel loopt of een verkozen regering beslist wat een ander niet bevalt, met hyperbolen als immoreel of failliet bestempeld, of het nu om Europa, verkiezingen, staten of steden gaat.
Media focussen naar oude gewoonte op die conflicten en zijn al even genadeloos bij het be- en veroordelen van té grijze, té behoudsgezinde of te trage reacties van overheidsinstellingen, terwijl nieuwe sociale media dit vergroten zodat vaak begrijpelijke, soms onbegrijpelijke maar altijd bij te sturen nare effecten van een beleid een algemeen gevoel van ondraaglijk onrecht oproepen.

De oogst…

Wat de stemmer uiteindelijk bereikt, is het gevoel dat ‘de wereld om zeep is’, ‘dat het nog nooit zo slecht is geweest’, ‘dat de democratie niet meer werkt’.
Wanneer mensen daar dan naar reageren, is het niet zo handig om hen ‘dom’ en ‘haatdragend’ noemen, in de hoop ze daarmee toch weer tot bedaren te brengen. Als iemand je een imbeciel noemt omdat je een slogan wat anders gefraseerd herhaalt, kom je niet ‘tot inkeer’. Je wordt opstandig.
Het lijkt het me onhandig nog maar eens het failliet van de instellingen of de gematigde politici te bezingen. We onderstrepen daarmee nog eens de verontwaardiging, die ook hier tot afkeer leidt…

En nu?

Medunkt dat we, om meer van dit ongein te vermijden, vooral moeten nagaan hoe we de met superlatieven overgoten negativiteit  tot rust kunnen brengen in een tijd waarin nieuwe media ons belonen voor felle uitspraken met likes en shares. We moeten leren omgaan met de schreeuwspiegels van sociale media, zowel zenders als ontvangers.
Ik ga er nu al van uit dat de volgende generatie dit beter kan. Ze laten zich minder snel opfokken door grote woorden op een tijdlijn, medunkt. Maar hoe we dat deze generatie nog kunnen keren? Geen idee.

De Vloek van de Apostel

Beeld uit League of Legends

Of dat wel de juiste strategie is, vraag ik me vaak af als ik weer eens een verontwaardigd, verwijtend facebookbericht de ronde zie doen. Er wordt dan geschoten op de stupiditeit van Trump-kiezers, de barbaarsheid van vleeseters, de wereldvreemdheid van de groendenkers, de kortzichtigheid van de houthakker, het racisme van sinterklaasvierders, de corruptie van politici/industrie/banken, de domheid van zwaarlijvigen, de vervreemding van technofielen, het egoïsme van Nimby’s, de naïeve blindheid van multiculturele bruggenbouwers…
De uitlatingen kennen veel bijval en worden gul gedeeld, maar – zo vraag ik me dan -dragen ze ook bij aan verandering? Haal je zo mensen over om een ander, wenselijker gedrag te stellen?

De kloof en de verontwaardiging

Leden van NGO’s, instellingen met een groot maatschappelijk doel of een utopisch wereldbeeld lijken daar vaak last van te hebben: als persoon die het gewenste gedrag stelt, is het heel lastig om te kijken met de bril van iemand die het nog niet stelt. Je neemt jezelf als voorbeeld, toch? Wat jou kan motiveren en bewegen, motiveert en beweegt toch ook anderen? Maar onbewust, ongewild en toch goedbedoeld vergroot je zo vaak de kloof met diegene die je wil overtuigen. De vloek van de apostel.

Als je een post of artikel schrijft of deelt, wil je vooral je verontwaardiging delen. Dat is begrijpelijk. Je staat achter een bepaald toekomstbeeld en wil er ook aan meewerken. Je sloot je aan bij een organisatie en wil met hen bouwen aan die betere wereld. Je wordt een ambassadeur, een apostel. Je gaat de blijde boodschap mee verkondigen en het doel een stapje dichter brengen.

En wat merk je dan? Anderen volgen je niet of stappen zelfs een heel andere kant op. Dat maakt verdrietig en boos, want het strookt niet met jouw doel. Die verontwaardiging blijkt je echter ook energie te geven. Je merkt dat je de woede kunt kanaliseren in je werk. Het wordt de brandstof voor je inzet. Hoe meer je je doel indachtig bent, hoe meer je merkt dat anderen er niet mee bezig zijn. Hoe meer je dat merkt, hoe duidelijker de noodzaak van je inzet wordt, hoe zinvoller je werk blijkt. “Er is nog veel werk aan de winkel”, mopper je dan nors, terwijl je jezelf zo onbewust werkzekerheid garandeert: ‘Ik ben nog lang niet overbodig, hoera.’

De motivatie van de verontwaardiging

Die ‘hoera’ roep je overigens niet, hoor. Integendeel. De verontwaardiging om het nog lange traject overschaduwt dat, maar tegelijk garandeert het je toch die verontwaardiging die je moeilijk kunt missen. Dat is immers je energie.
Hier schuilt de vloek van de apostel, denk ik vaak. Zelf gestuwd door verontwaardiging overschat je de waarde van die verontwaardiging. Je bent heilig overtuigd dat je moet uitpakken met de sense of urgency. ‘Het einde is nabij.’ ‘Het is nog nooit zo erg geweest.’ ‘Het is vijf voor twaalf.’

Maar eerder dan me over de streep te trekken, schrik je me af. Door de problemen en de drempels monsterlijk groot en het doel steeds verder weg af te schilderen, zorg je ervoor dat de moed me helemaal in de schoenen gaat zinken, en dat ik me van je boodschap ga afkeren. Ik luister dan liever even rond tot ik iemand hoor die me een positiever toekomstbeeld met minder hindernissen kan voorschotelen.

Vluchten kan niet meer

Verontwaardiging geeft bovendien niet aan waar je heen wil, alleen waar je weg wil. Het zegt niet wat ik wél, maar wel wat ik níet moet doen in die werkwinkel. Als je mijn gedrag wil sturen, is dat alvast geen handig uitgangspunt. Wat wil je eigenlijk dat ik doe?

Je vertelt me wat ik fout doe, en hoe fout dat wel is. Je wijst me op mijn tekortkomingen en valt zo onbedoeld mijn waarde aan. Je zegt niet dat er lekkere koekjes zijn aan jouw zijde, maar dat mijn koekjes niet deugen en ikzelf ook niet, want ik eet ervan. Qua charmeoffensief zit dit niet helemaal goed.

Ik wil charme

Het kan anders, toch? In plaats van me weg te jagen, kun je me net beter charmeren. Wijs me niet op wat ik fout doe, maar op wat ik naar je zin goed doe, en vraag me meer van dat. Zet in op de E van Enthuse. Wek positieve verwachtingen over het te stellen gedrag, over wat ik zal ervaren als ik het stel. Zeg me hoe het consistent is met mijn verlangens, dromen, wensen en waarden. Hoe het aansluit bij wat ik al doe. Geef me een trots gevoel. Neem me mee, verleid me.

Tegenover de apostel staat de charmeur die het meent, die erin slaagt om zijn of haar eigen bril af te zetten, de mijne op te zetten en me dan weet te waarderen vanuit die bril. Die me zegt dat ik de slechtste niet ben, dat ik heus niet te herleiden ben tot een van de zeven hoofdzonden maar toch wel een goede inborst heb die aansluit bij dat fantastische doel. De charmeur die niet inzet op conflict maar op herkenning.

Wie weet, misschien lukt dat wel. Zeker ben ik het niet.

Oh, en als je je aangesproken voelt… Je bent niet alleen. Ik voel me zelf ook aangesproken. Heel dit stuk kreunt onder de vloek van de 7E-apostel…

Nog meer leesvoer: van nudging tot information overload?

boeken

“Maak het gemakkelijk” is een van de leuzen van het nieuwe gedragsdenken. Als je mensen tot verandering wil aanzetten, moet je niet zozeer hun rationele hersencellen belagen, maar de info tot het noodzakelijke beperken.
“Maak het aantrekkelijk, concreet, persoonlijk, eenvoudig en behapbaar met clusters, kapstokken, infographics”, schreven we in het 7E-boek. “Make it easy”, heet het bij het Behavioral Insights Team. “Understand mapping” en “Structure complex choices”, zeggen Thaler en Sunstein. Iedereen wijst erop dat zwaar focussen op kennisdeling niet de meest effectieve werkwijze is…

En wat doen we zelf? We geven toespraken, schrijven blogs, leggen het uit op radio en tv en publiceren wekelijks nieuwe boeken en rapporten.
Deze maand alleen al verschenen meer dan 1000 interessante pagina’s, die ik – eerlijk is eerlijk – niet verwerkt krijg. Er ligt een berg aan gedragsinzichten waar ik maar niet overheen geraak…

Een greep uit het nieuwste aanbod

pre-suasion-sq-500x500Robert Cialdini: van overtuigen tot voor-tuigen

Meneer Beïnvloeding himself, Robert Cialdini, heeft ook een nieuw boek. Dertig jaar na ‘Influence, the power of persuasion‘ volgt nu ‘Presuasion, a revolutionary way to influence and persuade‘.

In het nieuwe boek blijft hij wel bij zijn bekende principes (wederkerigheid, consistentie, sociale bewijskracht, schaarste, sympathie en autoriteit) maar hij poetst ze op en vult ze aan. Zo wijst hij erop hoe belangrijk timing is. Je kunt het best een beroep doen op het wederkerigheidsprincipe meteen nadat iemand heeft erkend dat je iets voor hem of haar hebt gedaan.

Hij heeft ook meer aandacht voor ‘priming’. Sociale bewijskracht werkt wel vaak, maar slechts als ik me met de sociale voorbeelden wil en kan identificeren en die mindset kun je met priming tijdelijk wat bijsturen. Je moet het overtuigen voorbereiden, legt hij omstandig uit. Vandaar ‘pre-suasion’.

En uiteindelijk introduceert hij ook een zevende principe – alle goede modellen bestaan immers uit 7, nietwaar. Die zevende mondt net uit de vaststelling uit de vorige alinea: het belang van ‘eenheid’. Als je erin slaagt om je luisteraar deel te laten voelen van jouw kring, zal die sneller volgen.

Cialdini, R., Presuasion, a revolutionary way to influence and persuade, Random House Books (2016) – 978-1-847-94142-8

hermsenHermsen en Renes herschikken de kennis

Gedrag sturen doe je niet met een handvol trucjes of vier inzichten. Nee, gedrag is complex en veelzijdig en dus moet je ook naar een integrale oplossing streven en bereid zijn om op lange termijn te denken en zelf ook flexibel te bewegen. Op die spijker slaan Sander Hermsen en Reint Jan Renes terecht hard in hun Draaiboek Gedragsverandering. Je kunt niet zomaar even twee principes lenen bij Cialdini of Ariely en dan maar hopen dat je campagne slaagt.
“Uit alle kennis over gedragsverandering selecteren campagnemakers en andere communicatieprofessionals vaak wat het makkelijkst of snelst is, maar dat is niet altijd het meest effectief”, vertelt Reint Jan in een interview met PubLab. Hun boek wil dan ook een overzicht van de gedragswetenschappelijke kennis bieden en helpen in het “filteren van wat belangrijk is voor jouw specifieke vraag.”

Daartoe herschikken de Utrechtse onderzoekers de bekende inzichten in vijf handzame clusters:

  • gewoontes en impulsen’ met aandacht voor o.a. de automatische piloot, context, triggers, priming en landscaping en defaults;
  • weten en vinden’ met aandacht voor o.a. normen, cognitieve dissonantie, en weerstand;
  • zien en beseffen’ met aandacht voor o.a. zelfkennis, feedback en framing;
  • ‘willen en kunnen’ met aandacht voor o.a. intrinsieke en extrinsieke motivatie, commitment, negatieve en positieve emoties en frustratie;
  • doen en blijven doen’ met aandacht voor o.a. concurrerend gedrag, doorzettingsvermogen, mental accounting, zelfnudges, terugval en ondersteuning.

Om er ook daadwerkelijk mee aan de slag te gaan biedt het boek tenslotte nog richtvragen, die je kunt vergelijken met de checklists uit het 7E-boek, en werktips. Lijkt me zeker het proberen waard.

Hermsen S. en Renes R.J., Draaiboek Gedragsverandering. De psychologie van beïnvloeding begrijpen en gebruiken. Business Contact (2016) – 978-90-470-0975-7

De ‘nudge units’ brengen verslag uit

Zowel de Britse als de Amerikaanse nudge teams, die respectievelijk eigenlijk het Behavioural Insights Team en het Social and Behavioral Sciences Team heten, stellen hun jaarrapport ter beschikking.

Het BIT deelt hierbij ook informatie van hun kantoren uit Sydney, New York en Singapore. In dat laatste kantoor werd overigens een interessante gedragstool ontwikkeld die zou moeten helpen om discriminatie bij werving en selectie tegen te gaan. Het BIT houdt het niet bij successen alleen, maar deelt ook de flops omdat we nu eenmaal net zoveel kunnen leren uit mislukte nudges als uit geslaagde. Ze beloven overigens om de volgende maanden dieper in te gaan op hun bevindingen via hun blog. Kwestie van ons van leesvoer te blijven voorzien.

The Behavioural Insights Team – Update Report 2015-16

The Social and Behavioral Sciences Team – 2016 Annual Report

Primen of verzuipen

Ik vind het schitterend uiteraard, dat er zoveel info wordt gedeeld en dat de aandacht voor gedragsinzichtelijk ingrijpen en communiceren niet verslapt. Dagelijks verschijnen er artikels, studies en bedenkingen. Dagelijks ontdekken we meer over wat werkt en wat niet.

Dit helpt de praktijkwerkers die de tijd vrij kunnen maken om bij te lezen uiteraard vooruit, en het stimuleert wellicht ook anderen om zich er toch eens aan te wagen. “Als iedereen ermee bezig is, moet ik het misschien ook wel eens bekijken?”, nietwaar.

Maar tegelijk wordt het aanbod wel heel groot en, zo weten we uit onze eigen inzichten, dit kan afschrik wekken. Als je dagelijks een post krijgt over een ‘zeker te lezen’ artikel of – godbetert – een boek of een rapport van 100 pagina’s, ben je misschien eerder geneigd om de beker aan je voorbij te laten gaan.

Dat wordt misschien wel dé uitdaging van de volgende jaren: hoe houden we het overzichtelijk?

Zeg niet ‘niet’. Euh, zeg wel ‘wel’, bedoel ik.

shutterstock_48935839Ken je ze, die borden die je vertellen wat je allemaal niet mag doen op het strand, aan de Graslei, in het park? Verboden te fietsen, skateboarden, skaten, rennen, vliegeren, op het gras te lopen, radio’s te spelen… Echt welkom voel je je dan niet, ook al was je geen van al die dingen van plan. “Ik mag hier niks”, mopper je dan misschien terwijl een donderwolkje over je zonnige uitstap glijdt. Meer nog, misschien moet je je nu echt wel inhouden om toch niet lekker balorig over het gras te gaan rennen. “Ik doe wat ik wil!”

Miami Beach zegt ‘ja’

lead_largeMiami Beach-commissaris Michael Grieco kreeg alvast ook de kriebels toen hij zo’n bord voor zijn neus kreeg. Het spoort alvast niet aan om gezellig te wandelen, begreep hij. “Er is toch een groot verschil”, zegt hij, “tussen het verbieden van al die dingen en zeggen dat het een voetgangersvriendelijke zone is?” Het autoritaire karakter van zo’n bord strookt ook helemaal niet met het paradijselijke imago dat Miami Beach wil uitstralen. Het ondergraaft de geloofwaardigheid van de ‘vriendelijke’ zender, zeker als je met de verbodsborden om de oren wordt geslagen om elke hoek, bij elk park, bij de scholen, op parkings…

Nee, als het aan Grieco ligt, komen er enkel nog positieve borden.
“We moeten hier meer over nadenken”, zegt hij. “Vertel de mensen wat ze wel kunnen doen, eerder dan wat ze niet mogen doen. Zeg wanneer het park open is, en niet wanneer het gesloten is. We zeggen niet ‘verboden te roken’, maar proberen het te verweven in ideeën van fitheid, netheid en schoonheid. We willen over schone lucht praten.”

Van park tot strijdtoneel

Verbodsborden hebben ongetwijfeld dit effect: ze trekken de aandacht naar het ongewenste gedrag. Je gaat onwillekeurig daaraan denken. Je kunt niet ‘niet aan een roze olifant’ denken. Je kunt er wel omheen denken, maar het beest staat wel in het midden van je bovenkamer. Verstokte rokers weten het beter dan wie ook. Als ze in een kamer een ‘verboden te roken’-bordje zien hangen, krijgen ze net trek. Het beeld van de sigaret doet hen ernaar smachten. Het bestendigt net je gedrag. Als je niet rookt, heb je dat niet, dan word je wellicht net boos als je iemand toch ziet roken.

Een ‘niet ‘ heeft dus een polariserend effect. Voor de een werkt het, voor de ander werkt het tegen. Zij die het ongewenste gedrag wel willen of op zijn minst wel leuk vinden, voelen zich afgewezen en zijn opeens in een conflictsituatie belandt die alle aandacht kreeg; zij die het ongewenste gedrag zelf al ongewenst vonden, zijn aan de andere kant van het conflict gezet en gaan meer op de overtreders letten. Onbehagelijk, dus.
Een ’nee’ jaagt ons zo de kast op. Het zou stresshormonen activeren waardoor we niet langer rustig, helder en rationeel kunnen denken. Stress lokt immers een vlucht-of-vecht-reactie uit. Als het verbodsbord me irriteert, weiger ik het park in te gaan, loop ik te foeteren of word ik zelfs baldadig. Negatieve berichten zijn dan ook prima geschikt om mensen op te hitsen, risico’s te nemen en aan te zetten tot conflict. Tegelijk schrikt het ook af en maakt het me ongemakkelijk en angstig. En dat leidt net allesbehalve tot gedragsaanpassing. Het park waar je zou willen wandelen, wordt een strijdtoneel voor of tegen de skateboard. “De omstreden publieke ruimte is een opgefokte ruimte, waarvan de vanzelfsprekende gemeenschappelijkheid”.

Ziedaar, het ongewenste gedrag.

Door de spotlichten te richten op ongewenst gedrag maak je het soms ook nog groter en ondergraaf je de gewenste norm. Door er steeds op te wijzen dat je niet meer mag rijden dan 90 km/h op de autosnelweg, wordt 90 de norm waar we naar streven. 90 is dan niet langer het maximum, maar bijna het minimum of het nu regent, sneeuwt, mistig of donker is. Als ik 85 rij, krijg ik van mijn passagiers wel eens te horen: “He, je mag hier wel 90, he.” En zodra het bord er niet staat, gaan we opgelaten door die fictieve barrière heen.

Overigens biedt een verbod ook geen oplossing. Het zegt ‘wat niet’, maar wat moet ik dan wel doen? Toen ze in Oud-Vossemeer probeerden om de vrachtwagens uit de stad te weren met een verbodsbord bij een van de wegen, bleek de overlast nauwelijks te verbeteren. De chauffeurs wisten niet waarheen dan wel, en reden maar wat rond. Je zegt beter waar ze wel moeten rijden, dan waar ze niet moeten rijden.

dino-graffiti-please-19585-1285338783-23 Gronings onderzoek toonde aan dat je verbodsborden overigens wel werken, op voorwaarde dat de omgeving op die normen en regels is afgestemd. Een bordje ‘graffiti verboden’ werkt op een propere muur, maar op een muur waar graffiti is gespoten, lokt ze nog meer normoverschrijdend gedrag uit. Mensen gaan er ook vlotter papiertjes op de grond gooien.

Wat dan wel?

Als je gedrag wil bijsturen, benoem dat gedrag dan positief en helder, zeggen we bij het 7E-model. Heel wat studies geven aan dat bevestigende, grappige boodschappen effectiever gedrag bijsturen dan negatieve, zeker waar het om gezondheid gaat. Een negatief bericht over de gevaren van rood vlees of hamburgers werkt wel bevestigend voor vegetariërs en mensen die al overtuigd zijn dat ze gezond eten, maar positieve boodschappen die zich houden bij wat je wel best eet en waarom – zoals ‘verse groenten geeft je een positief lichaamsbeeld en meer energie’ – werkt beter voor een breed publiek dat minder met gezonde voeding bezig is.

positive-negative-messaging-wansink-pope-2015_0
Positief taalgebruik zou ons helpen om te focussen op oplossingen. Je wordt of blijft kalm, krijgt een gevoel van hoop en kunt ook zelf positiever reageren. Het lukt je dan beter om problemen op te lossen.

Het betekent niet dat je het niet over problemen mag hebben, maar wel dat je oplossingen of het zoeken ernaar nog meer in het licht moet zetten dan de problemen. Geef me zin om het andere te doen, het gewenste gedrag te stellen. Toon me dat anderen het ook doen. Hef de contradicties op. En maak het gemakkelijk. Wees 7E, kortom.

Een beetje melig? Misschien wel, maar in Miami Beach willen de commissaris en zijn staff het alvast wel testen. Ze zullen wieden in de overdaad aan verbodsborden en zoeken naar zonnigere opschriften. “Je kunt er toch niet tegen zijn?”, zegt Grieco. “Het zijn die kleine dingen die onze stad kneden tot een positieve plaats.”