De Schrijvende Fran

Verhaal | Griet

hans-grietjeJe gillen wekt me. Elke nacht weer. Je priemt mijn hoofd, spiest mijn gedachten als een pijl door een appel. Ik ruik appel. Gebakken appel. Verbrande appel. En schiet weer recht.
“Alweer?”, bromt Hans en hij draait zich op zijn zij.
“Nee, ik… Ik moet even naar het toilet.”

Hij weet het, denk ik soms. Hij weet dat ik nog altijd aan je denk. Zijn ogen sluiten zich weer terwijl ik stil tussen de lakens uit glijd. Zijn adem wordt weer rustig, en ik sta op. Een vochtige lok schuift voor mijn ogen, maar ik duw haar niet terug. Daar heb ik geen kracht meer voor. Niet meer sinds jij er niet meer bent.

Tussen de spleetjes van de luiken sluipt maanlicht naar binnen. Het lokt. Ik trek mijn schoenen aan, leg een mantel over mijn schouders en mijn hand op de deurknop. Even kijk ik terug naar mijn broer. Zijn borstkast gaat rustig op en neer. ‘Slaap, broer. Slaap lang, tot ik terug kom.’

Hij bedoelde het goed, bedenk ik, terwijl ik met de mantel dicht om me heen door de nachtelijke struiken stap. Hij bedoelde het zo goed. Hij was mijn redder, mijn prins. Dat wou hij zijn, al toen we nog heel klein waren. Vader was er nooit, die werkte zich een leren huid toen moeder was gestorven, en Hans was meer dan een broer geworden. Hij was mijn tweede vader, mijn leraar, mijn moeder, mijn vriend… Hij hield van mij alsof hij me in zijn eentje alle liefde wou geven die ik anders zou missen. Geen arm week hij van mijn zij. Ik was zijn oogappel, zijn levenstaak, zijn godin.

Hoe vaak waakte hij me niet teder over me wanneer ik in mijn bedje lag, of wanneer ik op de keukenvloer met houtben poppen speelden terwijl hij het huishouden deed. Ja, dat deed hij.

Vader had mij opgedragen om te poetsen en te koken toen ik zes was geworden, maar zodra die de deur uit was, nam Hans me dat werk uit handen. “Jij moet spelen.”, zei hij dan. Of: “Jij moet leren lezen.” “Rekenen.” “Schrijven.” Glimlachend nam hij daarbij het naaiwerk over. Hij werkte dubbel, want vader had hem ook werk gegeven. Ook dat deed hij, zonder morren. Snel. Zodat hij ook het huishouden kon doen ėn voor mij zorgen, met mij spelen. Hij deed zo zijn best, de jongen, om mij een leuk leven te geven, een mooie jeugd, een toekomst, zoals hij zelf zei. En dan kuste hij me op mijn voorhoofd.

Het pad naar je huis is nauwelijks te vinden. Gras, mos, struiken, wortels, bladeren, modder. Het lijkt wel alsof alle elementen samen spannen om je voor me te verbergen, alsof het woud je van me weg wil houden… Maar het lukt hen niet, lieveling, mijn voeten weten de weg. Nachten hebben die van je gedroomd, gestapt en getrappeld onder de dekens tot Hans vroeg wat er nu weer was, en ik uit mijn droom werd gesleurd. Maar nu houdt hij me niet meer vast, nu kom ik naar je toe. Ik heb geen broodkruimels nodig om je te vinden. Geen tak verspert me de weg.

Hoe lang is het geleden dat ik hier liep? Holde? Ik was net achttien geworden, toch? Je noemde me ‘rijp’, alsof ik een appel was. Je liet me lachen en dat luchtte zo op die avond.
Maar toen ik hier de eerste keer rende, achter Hans aan, die mijn arm er wel leek af te rukken, wist ik nog niet dat jij aan het eind van het pad woonde. We waren op de vlucht.
Of waren we verdwaald?

Ik heb Hans al zoveel versies van ons verhaal horen vertellen dat ik soms zelf bijna vergeet hoe het zat. Heb je die verhalen gehoord, mijn lief? Die fabels, verdichtsels en verzinsels? Ze waren grotesk, vond je niet?
We zijn helemaal niet door onze ouders in het bos achter gelaten. Onze vader had helemaal geen boze stiefmoeder of zo mee naar huis gebracht. Waar zou hij die gevonden hebben? Op een tak? Onder een oude vermolmde eik? In een gracht tussen oude koeien die je beter laat liggen? Nee, vader zag enkel de bomen en de bosmeester van de Graaf.

Nee, op een avond kwam vader heel druk thuis, nam hij Hans bij de arm en ging hij de houtschuur in. Onopvallend nabij sluipen om mee te luisteren was wel mogelijk – dat had ik nog gedaan, met kerst bijvoorbeeld toen ze mijn geschenk kozen – maar het regende zo hard  die avond, dat ik dacht: ‘ach, dat ontdek ik later wel’.
En ja, ik ontdekte het later. De volgende avond al.
“We moeten weg!”, fluisterde Hans me toe in mijn slaapkamer toen vader hout lag te snurken en mijn broer zoals elke avond mijn kamer in was geslopen.
“Waarom?”, had ik gevraagd. Dat is overigens helemaal geen kinderachtige vraag, maar een heel belangrijke. Daarom stellen vooral kinderen en andere kinderlijke mensen haar. Ik verwachtte een doordeweekse ‘daarom’. Maar er kwam:
“Jij moet weg! Vader is gek geworden. Je toekomst staat op het spel. Als je niet vlucht, is je leven nu voorbij.”

Dat klonk ernstig. Hans was nooit een grote spreker geweest –  de schrijvers uit de boeken die hij me deed lezen konden veel vuriger pleiten – maar hier had hij op geoefend. Dat merkte ik meteen.
“Moet ik mijn kleren al aantrekken?” Ik had nog niet door wanneer het vertrek zou doorgaan.
“Nee, pas als ik het zeg.”

En toen was hij verdwenen. Het duister was die nacht veel donkerder dan voorheen. Het rook naar zwarte stroop, smaakte naar bittere chocolade en kleefde op mijn huid als oude karamel. Ik proefde de nacht en wist niet wat ik er moest van drinken. Was dit nu boeiend of angstaanjagend? Of allebei?
Ik koos voor boeiend.
Immers…. Mijn broer hield van mij…
Toch?

Scheen de maan die nacht zoals nu? Dat herinner ik me niet meer.
Vannacht is ze heel aanwezig. Ze kijkt mee over mijn schouders of ik de weg wel vindt. Nieuwsgierig duwt ze takken opzij en spiekt ze al vooruit. Misschien komt ze hier voor het eerst, misschien herkent zij ons paadje niet, misschien hunkert ze net zo naar jou als ik.
Ik denk dat ik huisje al ruik. Heel vaag. We zijn nog ver en de geur is oud. Zeven jaar oud al. Wie er niet naar zoekt, ruikt het vast niet, maar ik proef het zelfs als ik diep inadem. Peperkoek…

“Ja, een peperkoeken huisje, echt waar.”
Ik proestte het uit. Hans deed zijn best om me streng aan te kijken, maar gaf het snel op.
“Je zult het zelf wel merken, let maar op.”

Na die alarmerende avond was Hans er elke dag op uit getrokken. Om onze vluchtweg te zoeken, zo bleek nu. Hij had broodkruimels gestrooid om de weg terug te vinden, zei hij.
“Broodkruimels? Had je niet beter steentjes gebruikt? De vogels eten die toch op?”
“Net daarom, dom gansje,” grinnikte Hans, “als ik steentjes gooi, vindt vader die vast en gaat ie onraad ruiken. Nee, broodkruimels blijven net lang genoeg liggen opdat ik mijn weg terug vind, maar niet zo lang dat vader ze vindt wanneer hij thuis komt.”
En toen vertelde hij over zijn vondst. Een peperkoekenhuisje, ongeveer een nacht stappen ver. Daar zouden we onderdak vragen voor de dag, en de nacht erop weer verder trekken. Steeds verder. Op weg naar een ander land, een andere toekomst. Een echte toekomst.
“Voor jou.”, zei hij.
“Voor ons.”, verbeterde ik.
Zelden heb ik Hans zo zien stralen als toen. Voorheen niet, maar ook nadien niet meer…

Herinner je nog die eerste nacht, mijn lief? De nacht was zwart als drop en de koude wind sneed als kandij in mijn huid. De hele nacht hadden we gelopen, Hans en ik, vluchtend, ontsnappend aan een heden dat geen toekomst had.
De weg was lang, maar de nacht nog langer, en zo kwam het dat we je huisje eerst roken en toen pas zagen.
“Peperkoek!”, riep Hans triomfantelijk, “Zie je wel!” en hij stompte me op mijn arm.
“Au”, riep ik plichtbewust, maar mijn mond lacht glim. Ik rook het ook. Ik rook je ook. Dat was jij, mijn lief. Jij rook naar peperkoek. Zo rook je toen, en zo ruik je nu nog in mijn herinneringen. ‘Kruidenkoek’, zei je zelf, maar je gaf toe dat ‘peperkoek’ wel vrolijker klonk.

Volg je neus, zeggen ze dan in verhalen, en wij deden dat ook echt. We hadden de hele nacht gelopen, gestruikeld en gekrabbeld om hier te geraken, en nu renden, struikelden en krabbelden we nog harder. Onze neus achterna, recht naar jouw huisje. En wat voor een huisje!

Schat, heb ik je ooit verteld hoe prachtig je huis me leek die nacht? Alles was in grijs en zwart, want de zon had haar borstels nog niet bovengehaald en de maan ziet geen kleuren, maar de tekening was toch adembenemend. Het leek wel een sprookjeshuisje! Met vrolijk ronde dakpannen, een giechelend schotse muur hier en een olijke scheve schoorsteen daar. De raampjes waren rond als oliebollen, de vensterbankjes leken nougatrepen, de muur kaneelstokjes en op het dak leek wel overgoten met chocolade. Zo hongerig waren we, zo groot was ons verlangen naar een toekomst dat er uitzag als het paradijs, smaakte als luilekkerland, en rook naar snoep en peperkoek. Zo zag jouw huisje eruit die nacht, toen de wens de wereld kleurde met dromige smaken en romige geuren.

Ik klopte niet. Ik keek.
“Klop dan aan.”, siste Hans die geen oog leek te hebben voor je marsepeinen naambordje.
“Knibbels, knabbels en knuisjes, welkom in het kruidenkoekenhuis!” las ik hardop?
“Wat zeg je?”
“Knibbels, knabbels en knuisjes, welkom in het kruidenkoekenhuis!”, zei ik opnieuw. Ik keek achterom in de speurende ogen van Hans.
“Dat staat hier.”, wees ik hem marsepeinerig.
“Oh.”

Ik vergat al te vaak dat hij het niet kon, lezen. Dat hij mij die rijkdom wel had gegeven, maar ze zelf nooit had gekregen.
“Kijk”, wees ik met mijn vinger, “dit is ‘kniebels’, en hier zie je weer die ‘kn’ in ‘knabbels’ en hier nog eens in ‘knuisje’.”
“Ja, een beetje stom, he…”, zei opeens een stem achter ons. We draaiden ons met een ruk om. En daar stond jij.
Meer had je niet nodig om mijn leven te veranderen.

En mijn leven veranderde. Dat is zeker. Niet alleen door het huis, dat veel vrolijker, mooier, vrouwelijker en warmer was, maar vooral door jou. Jij was een giechelende wervelwind die om ons heen bleef schieten, nu eens met deeg, dan weer met snijwerk, of platen en de volgende keer met boter of grote dozen vol koeken.
Jij was koekjesbakker, legde je uit. Je had ontdekt dat je er wel talent voor had, en waar je eerst bakte voor je ouders, de buren, later de straat, de wijk en uiteindelijk het hele dorp, bakte je nu al voor de graaf zelf.
“De graaf!”, slaakte Hans. Hij dacht vast aan de bosmeester.
“Ja,” antwoordde je zo zacht, “het is best een aardige man, schijnt het, maar ik zie eigenlijk alleen zijn hofdames, en dat is maar goed ook.” En toen knipoogde je naar mij. Knipoogde je naar mij? Ja toch? Dat had ik toch goed gezien? Je knipoogde naar mij.
“Geef je me eens die schaal, lieverd?” Hans was nog steeds aan de grond en de graaf genageld, maar ik keek al om me heen en gaf je de schaal nog voor hij de ‘nee’ kon zeggen die uit zijn longen opborrelde. Je keek enkel naar mij toen, en vertelde verder hoe je elke ochtend al heel vroeg opstaat om aan het werk te gaan, want dat je die koeken voor de middag klaar wil hebben. Dat je daarna na de middag nog verder bakt, en die koekjes inpakt en verstuurt naar andere graafschappen, en dat misschien de koningin zelf er ooit zal van eten en dan hierheen zou komen.
“Dat kan toch niet.”, mompelde Hans.
“Pardon?”, vroeg je. Je stond opeens stil. Hans keek omlaag en herhaalde zijn mompel.
“Oh, waarom niet dan?”
Hans keek weer op: “omdat er wel honderden bakkers in het koninkrijk zijn. Die koeken kunnen wel van iedereen zijn.”
“Daarom heb ik er die ‘kniebel, knabbel’-dinges opgezet.”, zei je trots. Er is vast geen enkele andere bakker in het koninkrijk die dat op zijn koeken heeft staan. Of haar koeken.” Je hield een papieren zak voor je met je zinnetje, je herkeningslijntje, je toverspreuk. “Ik hoop ze zo te betoveren dat ze mijn naam onthouden. Met die knullige ‘kn’. En de smaak van de koeken natuurlijk.” En je deed weer verder. Je nam zeven koeken op en legde die netjes in een zakje.
“Oh.”, zei Hans. En hij vouwde zijn armen.
“Ja,” antwoordde je. “Zo zou je het kunnen zeggen.”

De rest van de dag ging het net zo. Jij vertelde honderduit over je koeken, over het succes van je koeken en af en toe vroeg je mij iets aan te geven, waarbij je mij een knipoog gaf, en Hans mokkend toekeek.
Maar toen het middag werd, en ik opeens een schaal liet vallen, ik naar de grond greep om ze op te rapen, nam jij mijn hand vast en leidde je me zachtjes overeind. Je keek me in mijn ogen en lachte zachtjes.
“Jullie zijn moe. Jullie hebben de hele nacht gelopen, en nu is je broer bang dat de graaf iemand achter jullie aan stuurt. Maar je moet slapen, lieverd.”
Toen liet je mijn hand los en keek je ook Hans aan.
“Ik heb nog een kamer achterin. Het lijkt wel een kooi, maar niemand vindt je er, als iemand het al in zijn hoofd zou halen om jullie hier te komen zoeken. Slaap daar nu maar de rest van de middag en dan wek ik jullie vanavond. Dan wil ik jullie verhaal wel horen, en dan zien we wel verder.”
“Ik denk…”, begon Hans, terwijl hij naar de deur keek.
“Dank je wel, mevrouw…”
“Gwendolyn, heet ik. En jij? ”
“Grietje. Euh… dank je wel, Gwendolyn, we willen graag blijven. We zijn erg moe. ”

Nee, ik wou niet weten wat Hans dacht. Ik wou niet zien hoe hij boos was, werd of zou worden. Ik wou niet weten hoe erg hij het vond dat ik zijn plannen opzij schoof. Ik wou alleen hier blijven, mijn lief. Ik wou bij jou zijn. Altijd. Toen al. Die eerste middag al.
’s Avonds wou Hans al meteen vertrekken. Al in de kooikamer had hij meteen zijn schoenen aangetrokken – meer had hij nooit uitgetrokken – en hij had me bij mijn arm rechtgetrokken, waarop ik even had gegild. Even maar, hoor. Niet veel. Een kreetje was het eerder, en gillen was het ook niet. Slaken, zeg maar. Maar jij had het gehoord. En je stond in de deuropening, je handen op je voorschoot, je hoofd schuin tegen die vrolijke deurpost leunend.
“Ga je al?”
“Ja,” zei Hans, “hoe sneller we vertrekken, hoe meer voorsprong we hebben.”
Je ging rechtop staan en veegde je handen af. Nu zag ik pas dat je een hoofd groter was dan Hans. Ranker wel, en vast niet zo sterk, maar wel groots, en indrukwekkend. En mooi. Dat dacht ik ook. Ik vond je zo mooi. De avondzon scheen in je haren en vlocht er lichtkransjes. Maar je keek ernstig.
“Hoelang wil je lopen dan? Weer de hele nacht?” Je wachtte niet op antwoord, maar stapte langs Hans heen naar mij. “En je liefje? Kan zij nog een hele nacht stappen?”
“Dat is mijn liefje niet!”
“Oh.” Toen glimlachtte je weer zo boterzacht. En ik ook.
“Hij is mijn broer. Hans.” En je glimlachtte nog meer.

Hans had toen toegegeven dat het misschien niet zo goed voor me was om nu al de hele nacht te stappen. Jij had hem heel verstandig genoemd en dat had hij leuk gevonden. En toen waren we aan het vertellen gegaan, over de toekomst en vastzitten, en niet kunnen zijn wie je echt bent, en hoe Hans had gewild om mij te helpen ontsnappen, om mij een toekomst te geven. Ik had Hans toen een kus gegeven waarop hij heel rood was geworden.
“En de graaf?”, vroeg je, “Je leek me heel beducht om de graaf vanmorgen.” Hans werd nog roder en antwoordde eerst niet. Dat het vast wel erg was, zalfde je toen, en dat hij wel heel moedig was en heel veel om zijn zus gaf dat hij mij tegen die machtige heer wou beschermen.  En dat werkte. Hans vertelde toen dat vader plannen had om mij uit te huwelijken aan de zoon van de graaf.
“De zoon van de graaf?”, schrok ik. Ik duizelde even. Zag mezelf ineens in lange jurken, met een eigen lakei en kersen zoveel ik maar wou.
“En dat is niet goed?”, probeerde jij nog even.
“Nee, natuurlijk niet.” Hans werd boos en praatte steeds luider over toekomst en opsluiting en dat ik geen ding was dat mijn vader kon wegschenken en dat ik ook een eigen wil had, en dat hij dat niet zou laten gebeuren, want dat ik – en toen gilde hij – veel meer verdiende.
“Dat vind ik ook.”, zei jij toen. Je stond op, ging verder je oven schoonmaken en liet ons even achter tussen stille graven, zonen en kersentaarten met traliewerk.

Je vond Hans heel moedig, ons allebei heel moedig, zei je toen, maar als het zo zat, konden we beter niet meteen gaan rondtrekken. Je kende de graaf en zijn zoon, en die zouden de bossen uitkammen. Maar hier, hier zouden we veilig zijn, in de opslagruimte kwam nooit iemand kijken, en we moesten niet bang zijn voor de speurhonden van de jachtopziener, want die arme dieren werden bijna gek als ze de geur van de kruiden opsnoven.
Nee, hier zouden we dagenlang veilig zijn. En eten hebben ook, lachtte je erachteraan, terwijl je naar de voorraad koeken wees.
“Jullie buikjes zijn kogelrond als jullie hier vertrekken!”, giechelde je, en je prikte met je vinger in Hans’ buik.

We bleven niet één dag, niet twee dagen, zelfs niet één week, maar wel drie weken. Drie weken lang mocht ik bij je zijn, lieve schat. Drie weken die de mooiste van mijn leven bleken. Drie weken die ik nooit meer vergeet.
Eerst hielp ik met de schalen, reikte ik die aan als je er om vroeg, en nam ik ze aan als je er je warme, geurige koeken had op gelegd. Maar al snel liet je me ook andere taken uitvoeren. Mocht ik roeren in het deeg, mocht ik koeken sorteren, mocht ik de zaden pletten, de bloem zeefden, de suiker smelten. Schat, je maakte me gelukkig. Ik mocht zoveel van je. Ik mocht leven. Je vertrouwde me. Ik mocht zelfs mengen en proeven en na een tijdje mocht ik zelfs een eigen koekendeegje brouwen. Naar mijn smaak. ‘Grietekoek’, zei je jubelend en je danste om me heen.
Hans bleef plannen maken om te vertrekken. Eerst nog zat hij in de keuken, bij ons, maar hij werd humeurig als hij ons zag lachen, en spelend bloem naar elkaar gooien.
“Jullie lijken wel kinderen!”, had hij op een dag geroepen, en toen was hij met de landkaart die hij van jou had gekregen naar onze slaapkooi getrokken om er verder te tobben.
“Dank je wel!”, had je hem nageroepen waarna ik weer een knipoog had gekregen. En omdat ik verbaasd had gekeken: “Ja, ik blijf altijd kind.” en “Dat vonden ze in het dorp ook altijd al vreemd. Daarom alleen al, maar ook omdat er klachten waren over de stank van mijn oventje ben ik alleen gaan wonen in het bos.”
“Hoe oud ben je dan?”, had ik gevraagd.
“Achttien.”, had ik geantwoord.
“Oh”, keek je sip. “Ik dubbel.”
“Maar zo voelt het niet, hoor. Het lijkt wel alsof jij ook achttien bent.”
“Of jij ook 36.”
“Misschien zijn we allebei ergens tussenin!”, kirde ze en ze gooide een ei naar mijn hoofd.

Nee, het voelde niet als dubbel. Het voelde als koninklijk enkelvoud. We leken wel één. We werkten samen, lachten samen, bakten samen, waren samen en hoefden elkaar soms geen woord te zeggen om elkaar te begrijpen. Ik was graag bij je. Ja, zo is het. Gewoon naast je te staan, je huid even tegen de mijne te voelen wanneer we tegelijk naar een bordje grepen of je vingers aan te raken bij het kneden van een grote homp deeg, was hemels. Dit was thuis komen. Dit was het hoogtepunt van blij zijn afgewerkt met enkel brokjes kandij. Dit was geluk. Dit was die toekomst waar Hans het over moest hebben.
“Dank je wel, Hans.”, kuste ik hem op zijn wang op een avond voor het slapengaan.
“Het wordt nog mooier.”, had hij toen geantwoord en hij had de kaart uitgespreid en me met zijn vinger een weg uitgestippeld naar grote rijkdom, dure jurken en het lekkerste eten. Daar zou ik echt geluk hebben.
“Maar ik heb nu echt geluk, Hans. Je hoeft niet verder te zoeken.”
Dat was fout. Hans was toen heel boos geworden, en had me hard vast gegrepen: “WAT?!?!?!?”
“Ik… zei…”, en hij wierp me omver.
“Nee, Griet, ik ben niet tot hier gekomen om ons knechten van een koekenbakker te laten worden. Jij verdient meer, Griet. Denk eens verder! Ons eigen huis! Wij samen! En alle geld dat je maar wil. Dat dat is geluk! Niet hier, hier… Welnee, Gwen die is maar een domme bakkerin. Een belachelijke geit. Jij kunt veel meer… Hier, hier op de kaart heb ik…”

Maar ik luisterde niet meer. Ik keek niet meer. Ik kon ook niet, want mijn ogen traanden.
“Je zult zien,” hoorde ik tussen het snikken door, “morgen begint onze toekomst. Morgenavond vluchten we weg.”
Je bleef rustig toen ik het je vertelde, huilend, stotterend, jankend. Hans was het bos in getrokken met kruimels peperkoek, en jij had me gevraagd te zeggen wat er aan de hand was. Natuurlijk had ik niet voor jou kunnen verbergen dat er wat scheelde. Hoe kon ik ook. De gedachte alleen al van je te moeten scheiden, scheurde mijn gedachten, mijn woorden en mijn gevoel. Ik moest bij jou zijn. Begreep je dat nu? Hoe kinderlijk was ik niet!?
“Nee, niet kinderlijk.”, zei je: “Lief.”
“Ik hou van jou.”, zei ik toen.
“Dat weet ik.”, antwoordde je.
Dat was het moment waarop je naar me toe boog. Het moment waarop ik je lippen naar me toe zag komen, en voelde hoe mijn hart ook naar jou wou. Dwars door mijn lijf heen. Ik moest ook naar jou. Ik neeg ook naar jou. Mijn ogen werden zacht, mijn lippen groeiden, gloeiden en toen raakten ze elkaar.

We kusten, schat, die dag. We kusten lief, hard, zacht, diep, snel, lang, kort. Op de mond, mijn wangen, jouw huid, je schouders, mijn borsten, mijn armen, je handen je vingers je vingers je vingers wat deed je met je vingers wat doe je ik jij ja samen kus me nee niet ja doe nee stop niet ik bedoel ik weet niet alsjeblief nee ik hou van jou oh ik hou zoveel van jou ik hou van jou…Je leerde me mij kennen terwijl ik jou ontdekte. Wie was ik? Wie was jij? Het leek wel alsof je me helemaal opat, met huid en haar, en ik hield van elke seconde. Ik voelde me bevrijd, helemaal bevrijd. Je was een godin in mijn hemel.
We lagen samen op je bed, en ik voelde hoe mijn tranen in jouw haren verdwenen.
“Heb ik je pijn gedaan?”
“Nee, gelukkig gemaakt.”
Ik viel in slaap in je armen die middag, en we werden allebei pas wakker toen de zon al onder ging en de laatste stralen over de vloer van je kamer liet glijden… en een spoor van peperkoekenkruimels toonde…

“Nee! Nu! Niet morgen, niet later! Nu!”
Hans gooide al mijn kleren in dezelfde zak.
“Stop dat!”
“Stop dat? Stop dat?! Ik moet stoppen?!?!?!” Hij knalde mijn schoenen tegen de muur! “IK moet stoppen!?!? Hoor je wel wat je zegt, Griet? Wie is hier bezig? IK ben bij mijn zinnen! IK weet wat ik doe, en ik doe het nu: ik neem je mee! We gaan nu weg! Nu meteen!!”
“Ik wil niet, Hans!”
Hij greep me vast bij mijn schouders, wou brullen, maar slikte zijn woede in.
“Natuurlijk wil je dat niet, Griet. Ze heeft je betoverd. Ze is een heks, zie je dat dan niet!? Ze wil je verslinden. Ze wil je voor haar!”
“Dat is niet waar, Hans, ze… ”
“Ze wat? Ze wat, Griet? Ik weet het wat ze wil, maar jij weet het niet. Jij bent betoverd. Ze heeft je bedorven, Griet. Of nee: ze wil je bederven. Maar ik zal het niet toelaten! Ik neem je mee!”
“Bederven? Wat zeg jij nu?”
“Griet, ik heb jullie bezig gezien. Ik… Het is walgelijk. Ik… Griet, sorry. Het is mijn schuld. Ik had je niet hierheen mogen meenemen. Ik weet dat je er ook niet kunt aan doen. Maar ik wil je redden, dat voel je toch? Dat merk je toch! Wat ze met je doet, is niet goed. Maar jij kunt het niet verhelpen. Het is niet jouw schuld! Ik weet dat jij het ook verschrikkelijk vindt, maar…”
“Ik vind het helemaal niet verschrikkelijk!”
“Nee, nu niet, maar je lijdt onder haar betovering! Het is een heks, zeg ik je!”
“Ik lijd helemaal niet. Ik ben gelukkig, Hans! Gelukkig!”
“Dat zeg je door die betovering. Maar geloof me, Griet, neenee, ik ben niet betoverd. Met mij kan ze het niet, en ik kijk dwars door haar heen, ik doorzie haar spelletjes. Ik weet wat ze van plan is!”
“Wat dan? Wat is ze dan van plan?”
“Jou aan de graaf uitleveren.”, sneed je er doorheen.

Hans liet alles vallen. Hij balde zijn vuisten en klemde zijn kaken opeen.
“Je bekent dus.”
“Ah, kom, Hans. Ik ken de graaf en ik heb met hem gesproken, ja. Maar wat jij Griet hebt verteld is niet wat hij mij heeft gezegd. Hij wou nog een hofdame voor zijn zoon, en je vader had de bosmeester verteld dat je zus dat wel leuk zou vinden.”
“Leugens!”
“Oh ja?”
“Mijn vader wou Griet verkopen!!”
“Net als ik?”
“Net als jij!”

Je zuchtte, en draaide je naar mij: “Denk jij dat ik je wil verkopen, lief?”
Ik liep naar je toen en omhelsde je stevig. Steviger dan ik ooit had gedaan.
“Nee, Gwen.”
“Als je wil, mag je gaan. Ik hou je niet tegen.”
“Ik wil niet weg. Ik wil bij jou blijven. Ik… ik hou van jou.”
“HEKS”, schreeuwde Hans en hij stormde op je af met een mes in zijn handen.  Ik tilde mijn armen boven mijn hoofd en voelde het ijzer in mijn vlees dringen. Bot raken. Ik gilde. Jij donderde ook. Ik greep mijn pols vast. Het mes rinkelde op de grond. Kijk nu, schreeuwde Hans, en ik zakte op mijn knieën. Idioot, zei jij, en je knielde bij me. Ik zag je jurk in mijn bloed vouwen. Toon, zei je me, en je nam mijn arm. Kijk nu, gilde Hans weer, maar jij keek al. Van mijn arm naar mijn ogen. Je keek bezorgd, maar teder. Lief. Zacht. Boven het bonken van mijn arm uit. Komt wel goed, fluisterde je. Het is niet zo erg. Hans riep nog steeds op de achtergrond, hoorde ik tussen het kloppen van mijn hoofd door. Ik keek op en zag hem razen met tegen de deur. Ik keek ook op. Ga, zei je hem zacht, maar hij bleef razen.
“GA!!!!”, brulde je opeens. Groot, geweldig, overweldigend! Je ogen stonden wijd open en je gezicht was vlammend rood.
Hans zweeg, liet zijn armen zakken, stampte tegen de deur. Ramde de deur. En ging.

Toen keek je weer naar mij, en werd je weer zachtheid en liefde. Ik liet mijn hoofd tegen je borst zakken.
En snikte.
“Komt wel goed.”, fluisterde je.
Het kwam niet goed. Natuurlijk niet. Anders liep ik hier nu niet, door de nacht, door de takken, door het woud. Op weg naar jou, na al die jaren.
Ah, mijn arm werd wel beter, dat was niet zo erg. De snede was wel diep geweest, en ik had best wel veel bloed verloren, maar jij verzorgde mijn wonde, waste ze uit, verbond ze, en gaf me veel kussen. Vooral die kussen verzachtten de pijn.

Een dag, twee dagen, drie dagen was ik bang tegen je aangekropen, week ik niet van je zij, want ik vreesde dat hij terug zou komen. Ik zou gelijk krijgen, maar jij beweerde toen van niet. Jij had me gesust. Alles zou wel goed komen. Hans was even buiten zijn zinnen geweest, maar hij had me  vast geen pijn willen doen, en was nu vast heel erg geschrokken. Hij hield van mij, had je me gezegd, en hij had nu vast berouw om die uitval.
Ik had geknikt, maar ik was niet zo zeker geweest als jij.

Maar hij kwam niet terug, die eerste dagen, en het leek wel alsof jij gelijk had gehad. De pijn in mijn arm werd minder, en met die pijn ebde ook de angst weg. Het bonzen werd minder, mijn liefde voor jou groter.
Oh ja, het was liefde. Daar hadden we het die volgende dagen nog over gehad.
“Tuurlijk wil ik je niet verkopen, schat.”, had je gezegd, “Voor geen goud in de wereld. Want ik hou ook van jou. Vanaf de dag dat je aan mijn deur verscheen, was ik verliefd.”
“En ik op jou.”, gniffelde ik.
“Maar ik dacht: ‘Stil, Gwen, zo’n jonge, mooie, slimme meid is geen partij voor jou.”
Ik giechelde. Ik had ook wel meteen wat voor haar gevoeld, bekende ik, maar ik had niet eens geweten dat dat mogelijk was. Ik wist niet wat me overkomen was. Misschien was ik wel echt betoverd.
En toen had jij gegiecheld.
“Ja, liefde is hekserij.”, had je geknikt, “maar ik denk niet dat Knibbel Knabbel de toverspreuk is.”
“Nee, eerder het gevolg.”
En we hadden gegrinnikt.
“Het is ook niet Knuisje, maar Kruisje.”
“Hihihi, of Muisje.”
We hadden gelachen, die dag bij onze deegplaten. We hadden gelachen, gezongen, gedanst, geknuffeld en gevreeën. Wat hield ik van je. Dat had ik herhaald, de hele nacht door, terwijl jij mij kneedde als het liefste deeg dat je ooit in je vingers had gevoeld. ‘Ik hou van jou. Ik hou van jou.’ Tot we uitgeput, o zo uitgeput maar o zo voldaan tegen elkaars huid in slaap waren gevallen.
Dat was de laatste nacht die we samen hebben doorgebracht.

Ik ben er, mijn lief.
Ik zie je huisje.
En ik huil.
Dit is niet meer het huisje dat ik die eerste nacht zag. Dit is geen sprookjeshuisje meer. Je huis is stuk. Zwart.
Scherpe, verbrande randen prikken uit de grond, wijzen omhoog als scherven zwart glas. Ze rijten de grond open en klauwen naar de wolken die voorbij trekken. Ze krijsen door de aarde en snijden door de nacht.

Zoals jouw gillen die dag. Ik hoor het nog.
Ik was in het woud toen ik je hoorde. We wilden net iets nieuw proberen. Koek met appel. We hadden de appels al geschild en gesneden, het deeg was gekneden en was aan het rijzen, en dus konden we nu even niets doen. Of ik hout kon sprokkelen, had ik gevraagd.
“Ja, altijd een goed idee.”, had je gezegd en je had me gekust. Onze laatste kus.
Ik genoot og van die kus, toen ik je hoorde. Het hout dat ik sprokkelde liet ik meteen vallen en ik rende naar ons huisje. Ik gleed uit over het mos, schaafde mijn knieën, haalde mijn jurk en mijn vel open, maar dat voelde ik niet, want jouw kreet sneed dieper.
Ik hoorde je ‘nee’ gillen, en ‘Griet’, maar al snel werd het enkel pijn, ondraaglijke pijn. Ondraaglijk om te horen, hoe moest het dan wel zijn voor jou???
Ik huilde en gilde al voor ik thuis was en het vuur zag. Voor ik zag hoe je ineen zakte, vastgeprikt aan onze oven, terwijl het vuur om je heen greep.  Ik huilde, gilde, gierde, krijste, tierde, schreeuwde en rende naar je toe, maar hij nam me vast. Ik sloeg, maar hij was sterker. Ik beet, maar hij was sterker. Ik schopte, maar hij was sterker en drukte me tegen een boom.
“Ik red je.”, siste hij. En toen verdween de wereld.

De wereld was er niet meer. Zeven jaar lang was er geen wereld. Er was niks. Alleen jij. Je gillen. En ik die naar je smachtte. Hunkerde. Je gillen en mijn nachtmerries. Badend in het zweet werd ik wakker.
“Alweer”, bromde Hans dan.
“Ik moet even naar het toilet.”, zei ik dan, en dan controleerde hij de ketting aan mijn been.
Ik lachte niet meer. Kon niet meer lachen. Kon niets meer. Behalve denken aan jou, en hoe ik bij jou kon geraken.

In het begin had ik nog gerend, was ik gevlucht, maar hij had me steeds ingehaald, me op de grond gegooid. De betovering zat diep, wist hij, en vertelde hij ook aan de buren, die hij over de heks in het bos had verteld. Ze kenden je en knikten. Ze hadden je tenslotte zelf ook verjaagd uit hun dorp toen je meisjes had betoverd. Zij waren het geweest die je de ketting hadden aangeboden. Tot de betovering was uitgewerkt. De smid had me vastgeklonken. Alleen hij zou de ketting los kunnen maken, had hij zijn werk bewonderd, waarna Hans en enkele buren even aan de schakels hadden getrokken om de stevigheid te controleren.
“Ze komt wel tot haar zinnen. Vroeg of laat vergeet ze de heks wel. En dan mag de ketting eraf.”

Nee, mijn lief. Ik vergat je niet. Ik kan je niet vergeten. Je gillen niet. De brandende appels niet, maar je kussen, je strelen, je liefde nog veel minder. Ik hou van jou. Nee, ik vergeet je niet.
Ik neem brokstukken, en leg ze opzij, mijn lief. Het dak, denk ik. Een balk. Een raam. Ik wrik, en wat gaat het makkelijk, en maak de keuken vrij. Stuk na stuk gooi ik opzij. Steeds feller, harder en krachtiger. Ik heb me nog nooit zo sterk gevoeld. Ik ruik niet alleen verbrande balken en hout, mijn schat. Ik ruik onze appeltjes, ik ruik de kruiden, ik ruik je koeken. Ik ruik ons huis. Ik kom, mijn schat, ik kom thuis.
De paal. De muur, die ellendige muur waar je stond. En daar… de oven. Het ijzer ligt er nog, krom, gebogen, gesmolten. Als een ketting rond een verbrand lichaam. Ja.

As. Ik voel in de as.
Mijn handen voelen je as.
Mijn handen voelen je huid.
Ik ben er, mijn schat. Ik ben thuis.
Ik leg me neer. Verdwijn in jou. En kus je.
Jij kust mij.
“Ik wist wel dat je zou komen.”, fluister je, en je veegt de haarlok weg uit mijn ogen. “Niemand kan aan mijn toverspreuk weerstaan.”
“Kniebel Knabbel”, giechel ik.

Categorieën:De Schrijvende Fran

Getagd als:, ,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s