Waarom obesitasbestrijding slaagt waar milieuopvoeding faalt…

“Het nationaal actieplan Viasano is erin geslaagd om het aantal dikke kleuters terug te dringen.” Dat lazen we op 27 maart in De Morgen. En net diezelfde dag schrijft De Standaard: “Milieulessen op school hebben gering effect op gedrag leerlingen.”
Het loont de moeite om beide verhalen te vergelijken. Waarom slaagt de een waar de ander faalt, en wat leert het ons?

Hoe de campagnes en ingrepen precies ineen staken is giswerk, maar de artikels lichten al een tip van de sluier.Het milieu-artikel geeft toe dat de kennis over de natuur dan wel gestegen is, maar het gedrag niet. Meer nog, ook wat bezorgdheid betreft zijn de resultaten niet naar verhoopt. De helft van de middelbare scholieren vindt dat volwassenen zich net teveel zorgen maken, en voelt zich niet betrokken bij het vraagstuk. Informeren en sensibiliseren (enlighten en enthuse) alleen volstaan dus niet.

Hele omgeving

Viasano pakte het obesistas-probleem anders aan. In twee proefsteden opteerden de onderzoekers voor een geïntegreerde aanpak. “Al te vaak bestaat obesitaspreventie louter uit informeren,” legt hoofdonderzoeker en gezondheidspsycholoog Jan Vinck uit in De Morgen, “maar het is verkeerd om te denken: we bestoken de consument met allerlei brochures, en daarna is het zijn verantwoordelijkheid. Wordt hij obees, dan is dat ‘eigen schuld dikke bult’. Met informatie alleen hou je je goede voornemens twee weken vol, niet langer. Waarom? Omdat het de omgeving is die bepaalt hoe je je voedt. Daarom komt het erop aan die hele omgeving te veranderen.”
Engage, kortom, exemplify en experience zijn van kapitaal belang. Je pakt niet het inzicht aan, maar de hele beleving, de hele context, waar je niet alleen je communicatie, maar ook je beleid op afstemt.
“7E werkt!”, jubelden we toen we het artikel zagen.

Sebastiaan Derese van de Jeugdbond voor Natuur en Milieu en professor Van Petegem kijken voor de milieuopvoeding intussen ook verder. Ze willen ook buiten de klas sensibiliseren, denken ook aan speelbossen, grasvelden, moestuinen en vijvers, maar of “praten over klimaatverandering” de beste insteek is, durven wij toch te betwijfelen.

Lees verder over de milieulessen (DS 27/03/15)
Lees verder over de aanpak van obesitas (DM 27/03/15)

Afbeelding istock 

Paperless en de Stickerguerilla

“Papier hier”, roepen onze brievenbussen. Brieven krijgen ze nog nauwelijks, op wat rekeningen na, en dus bedelen ze hongerig om reclamefolders. En goedhartig als ze zijn, geven de reclamebakkers hieraan toe. Een foldertje op maandag, een krantje op dinsdag, een serie briefjes op woensdag, zodat onze bussen voor de week om is met wel 33 happen papier zijn gevoed.

Deze USS Enterprise heeft een maximale capaciteit van 94.000 ton. Daar moet ons Vlaams reclamepapier dus netjes in kunnen.
Deze USS Enterprise heeft een maximale capaciteit van 94.000 ton. Daar moet ons Vlaams reclamepapier dus netjes in kunnen.

Ik heb het net nog even nageteld: 33 ongeadresseerde reclamefolders per week. Als ik ervanuit ga dat deze week een gemiddelde week was, krijg ik dus 34 kilo papier per jaar in mijn bus. Nu ja, in de bus van onze buurvrouw die al een tijdje bij haar vriend in woont. Wij hebben zo’n “geen drukwerk”-sticker, waaraan de bussers zich meestal wel houden, maar mijn buurvrouw heeft die niet, zodat ik daar de papierstorm met wetenschappelijke precisie kan volgen. 34 kilogram. 170 kilogram voor ons appartementsgebouwtje alleen al. Heel Melle, met zijn 4.445 huishoudens – waarvan ik vermoed dat ook één op zes zo’n sticker heeft – slikt dus 126.000 kg papier. De bussen van Vlaanderen krijgen 73 miljoen kilogram papier door hun strot. Dat is zowat het maximale laadvermogen van de grootste vliegdekschepen… Een bos in je bus, zeg maar.

Waar stokt de sticker?

Milieubewust als je bent, heb jij, lieve lezer, uiteraard ook zo’n “geen reclame”-sticker aan je brievenbus hangen, en je vraagt je wellicht ook af waarom niet iedereen die heeft. Als ik kijk hoe vaak die folders op de vloer van onze inkomhal belanden, kan ik echt niet geloven dat iedereen er bewust voor kiest om die te ontvangen, of dat er gejubeld wordt bij het zien van al dat moois in de brievenbus. “Joepie! Een folder voor brillen! Hoera, het jeanskrantje! Eindelijk, de leaflet voor massage in mijn eigen straat!” Nee, toch?
Waarom kleven ze die sticker dan niet? Antwoord: nét omdat ze er niet bewust voor kiezen. In Melle kun je die sticker gratis afhalen op het gemeentehuis, maar dat veronderstelt dat je er bewust bij stilstaat, dat je bewust een moment uitkiest om naar het gemeentehuis te gaan – halfdaags open tijdens de kantooruren – en er bewust zo’n sticker vraagt. Dat vergt dus een aantal bewuste keuzemomenten… en die komen er niet vanzelf. We veranderen onze status quo niet zomaar…
Maar wat als we het makkelijker zouden maken…

Experiment ‘Stickerguerilla’

In Duitsland besloot het studenteninitiatief “Nudge it!” een eenvoudig experimentje op te zetten: bij 900 huishoudens (zonder sticker) organiseerden ze een guerilla-experiment. In de helft van de brievenbussen gooiden ze zo’n “geen reclame”-sticker, en op de andere helft kleefde ze die sticker al half vast, telkens met de boodschap: “kleef de sticker – spaar papier – bescherm het milieu”. Wou je hem niet, dan moest je hem er actief afrukken, wou je hem wel, dan wreef je de andere helft vast. Een stevige ‘nudge’, heet zoiets tegenwoordig, hoewel wij 7E-ers het minzaam bij ‘Enable’ houden.

Resultaten
‘Active’ betrof de gebuste stickers, ‘forced’ de half-gekleefde.

Drie weken later gingen ze weer langs de bussen om het resultaat af te lezen, en jawel, hoor: bij de gebuste stickers hing zowat 16% van de stickers op, bij de gekleefde bijna 22%! Zo’n stevig duwtje heeft dus inderdaad effect.
Stel je eens voor dat we dat op Vlaams niveau zouden doen! Dat dit een default insteek zou zijn van onze Vlaamse milieubewuste gemeentes, of van onze Vlaamse minister van Omgeving en Natuur! Dan zou je het reclamepapier dus met 20% kunnen terugdringen: 14 miljoen kg papier. Paperless brievenbussen… dankzij een stickertje.

Misschien moet ik helemaal niet wachten op de minister. Ik moet gewoon zelf naar het gemeentehuis en alvast in ons appartementsgebouw beginnen plakken. Maar hoe doe ik dat dan bij mijn buurvrouw? Er toch zelf op kleven nu ze er niet is? Of zoek ik even uit waar haar vriend woont?

Meer info: Georg Liebig, Jens Rommel, Active and Forced Choice for Overcoming Status Quo Bias: A Field Experiment on the Adoption of “No junk mail” Stickers in Berlin, Germany, Journal of Consumer Policy, Volume 37, Issue 3 , pp 423-435

Preventie en gedrag |Tussen (angstdroom) en daad

Bij het opzetten van preventiecampagnes hebben we nogal snel de neiging om de ‘angst’-kaart te trekken. ‘Wie bezorgd is om de gevolgen, zal toch wel het goede vermijdende gedrag stellen?’, denken we dan. Gedragsonderzoek wijst echter uit dat dat niet klopt. We vluchten, ontwijken, ontkennen of stellen ons er gewoon boven.

Hoe stellen we onze preventieboodschappen dan best wel op? Fran onderzocht het vraagstuk en distilleerde zeven tips. Net zoveel als er E’s in het 7E-model zitten. Als dat geen toeval is

Deze toespraak werd ontwikkeld voor een bijeenkomst van Vlaamse preventieambtenaars bij het VVSG, februari 2015.

De beleving van rood

(deze tekst verscheen ook op 7E-model.be) Geef toe, je doet het ook wel eens. Je fietst ’s avonds laat terug naar huis en botst op dat ellendige rode licht. Noch links, noch rechts is in de verste verte een auto te bespeuren en dus rij je, misschien lichtjes schuldbewust, door. Door het rood. Misschien deed je het niet één keer, maar meerdere keren en steeds vaker, terwijl het schuldgevoel steeds lichter ging wegen. Wie weet, misschien doe je het nu ook al overdag, wanneer de aanstormende auto’s nog veilig ver weg lijken…

De Roodrijdersuitdaging

Een Nederlands onderzoek van de Technische Universiteit Delft gaf aan dat een kwart van de fietsers door het rood zouden rijden. Op drukke kruispunten ligt het aandeel een stuk lager, maar op rustige kruispunten kan het zelfs oplopen tot 50 procent.  ’s Nachts zouden in studentensteden sommige lichten zelfs door elke fietser genegeerd worden… “Hmm”, vroeg ik me gisterenavond dan ook af, terwijl ik zelf ook op zo’n ellendig licht stootte, “wat zou het 7E-model kunnen doen?” De E’tjes knalden meteen door mijn kop, vechtend om voorrang. “Inspelen op sociale normering”, riep Engage met zijn groupies. “En bewustwording”, afficheerde Enlighten. “Pakkans!”, flitste Enforce. “Tijdige reminders op de point of choice”, nudgde Enable. “Verstandige lichten”, knipoogde Exemplify. “Maak het zinvol”, zuchtte Experience. “Kan dat?”, vroeg Enthuse en Encourage borg zijn beloningssysteem weer op. De E’tjes zwegen. Experience had het spel weer verbrod. Het is lastig motiveren als het gedrag niet zinvol lijkt.

Moeder, waarom stoppen we?

Niet dat rode lichten niet zinvol zijn. Ze zijn bijzonder handig op drukke kruispunten. Alleen… ik telde het vandaag nog even na, op de negen verkeerslichten die ik langs fietste, bleek er maar ééntje druk. De andere acht keer stond ik in de regen te wachten op fantoomwagens. De zin van het wachten spoelde van me af. Hoe vaak beleef je de zin van het stoppen bij een verkeerslicht, en hoe vaak beleef je de zin van het negeren van een verkeerslicht? Elke keer als je ’s nachts een rood licht negeert, groeit het gevoel dat je slimmer bent dan het licht, dat je zelf wel kunt bepalen wanneer je kunt oversteken.  Als ik stil sta, ervaar ik niks, behalve verveling. Ik kan zelfs niet even naar de boodschappen op mijn smartphone kijken, want ik moet het licht in de gaten houden. Het zou wel eens groen kunnen kleuren terwijl ik niet oplet. De reden waarom ik wel stop, is omdat enforce en engage allebei hun werk al doen. Misschien loopt er toevallig een agent om de hoek. Of misschien kijkt er een kleine door het raam die me het foute voorbeeld ziet geven en die morgen zelf door het rood gaat rijden, terwijl die helemaal niet kan inschatten of die ene auto nog ver genoeg is… Onderzoek wijst uit dat we met zijn allen minder door het rood fietsen als er kinderen in de buurt zijn. Zo pedagogisch zijn we wel. En als andere mensen netjes wachten tot het groen wordt, wachten we doorgaans braafjes mee. Zo sociaal zijn we ook. Tot die doorrijden. Dan kijken we niet eens of het wel echt groen is. Misschien is ‘volgzaam’ beter op zijn plaats dan ‘sociaal’. We rijden onbewust door. Als je mensen vraagt waarom ze door het rood rijden, dan vermelden ze dat niet als optie, trouwens. 45% zegt dat ze “door het rood rijden wanneer ze het nut er niet van inzien”. 32% doet het enkel “als ze haast hebben”, en de rest als ze gewoon “geen zin hebben”. Kortom, zolang de motivatie er is, stoppen we wel:  zowel bij interne motivatie (bij drukke kruispunten), sociale motivatie (bij andere, wachtende mensen of kinderen), en bij negatieve externe motivatie (bij kans op agent). Zodra de motivatie er niet is, omdat het helemaal niet druk is, er geen anderen zijn, de pakkans nihil is, hebben er weinig problemen mee om door het rood te rijden. Waarom zou je ook blijven staan?  Het rode licht voelt immers enkel zinvol aan bij druk verkeer, en we schatten soms ten onrechte in dat we rood veilig kunnen negeren net omdat we veel te vaak ervaren dat we het daadwerkelijk veilig kunnen negeren. Automatische verkeerslichten bekrachtigen het gevoel van onzin van rood.

Slimme lichten én slimme fietsers?

Misschien moeten we dat echt maar eens overwegen: dat we verkeerslichten enkel inzetten wanneer er verkeer aan komt. Dan leren we tenminste niet meer aan dat verkeerslichten grotendeels onzinnig zijn, maar worden ze weer relevant. Dat moet toch kunnen? Mijn telefoon weet hoeveel verkeer er op de weg is, dan moet een verkeerslicht dat anno 2015 toch ook kunnen? En dan heb ik het niet over verkeerslichten die default één richting bevoordeligen waar je toch weer vijf minuten moet staan eer een lus je opmerkt, maar echt met slimme lichten, die knipperen als er geen verkeer is en pas gaan regelen wanneer dat echt nodig is… Dat moet toch kunnen? En ja, intussen kunnen we ook extra bordjes hangen om ons overdreven zelfvertrouwen weer even op zijn plaats te zetten. Een extra bordje met een smiley en “wacht op groen”, kan het roodfietsen tot 16% terugdringen, leerden we uit een test van het Nederlandse gedragsbureau Tabula Rasa. En het Deense INudgeYou-team ontdekte dat we langer blijven staan als we ook nog eens feedback krijgen over de duur van het rode licht, of wanneer je een spelletje voorgeschoteld krijgt tijdens het wachten. “Combineren die handel! Dat zou het roodrijden echt gigantisch vooruit helpen!”, riep ik gisterenavond hardop bij dat rode licht. Er antwoordde geen agent, geen andere fietser, geen kind achter het raam. En toen reed ik maar door.

Het ei gaat open

Halverwege februari 2015. Voor de derde keer in mijn leven start ik fulltime in een eigen bedrijfje.

1995 • Knooppunt

In 1995 gooide ik me met Knooppunt volop op het ontwikkelen van content. Ik schreef boekjes, scenario’s, televisieprogramma’s, radio- en krantencolumns, liedjes en concepten voor computergames. Ik wou mensen meeslepen met verhalen, emotie en vakkundig gestructureerde exposés. ‘Hoe doe je dat, mensen zo hypnotiseren dat je ze echt door de ogen van anderen kunt laten kijken?’, vroeg ik me af. ‘Hoe werkt empathie? Hoe werkt ons associatief, affectief systeem? Kan ik je laten lachen en dan weer laten huilen? Wat heb ik daar dan voor nodig?’ Structuur is al net zo belangrijk als woordkeuze als tempo en kleine uiterlijkheden, bleek al snel, en op het meest manipulatieve moment van mijn Knooppunt-carrière slaagde ik er dan soms ook in om mensen hun gevoelens te laten uitstorten voor het oog van de camera. “Cue the tears”, zei ik waarop de camera inzoomde en de tranen welden. Technisch was ik er wel trots op, maar ethisch worstelde ik elke dag meer. Er moest meer zijn…

Mijn tekstbureau was eigenlijk een succesverhaal, maar datzelfde succes en de ethische twijfels zorgden ervoor dat ik het knooppunt ontwarde in 2001. Ik was zo vaak onderweg of in televisiestudio’s dat mijn gezinsleven er erg onder ging lijden. Ik zag mijn vrouw en kinderen enkel nog wanneer ze sliepen, en na enkele mislukte pogingen om het evenwicht tussen werk en gezin te herstellen, besloot ik maar drastisch in te grijpen en uit mijn eigen bureau te stappen. Dat zich op diezelfde dag ook twee vliegtuigen in enkele flatgebouwen boorden, is louter toevallig.

2005 • tinker belgium

Mijn tweede poging kwam er in samenwerking met het Nederlandse Tinker Imagineers. Content en beleving waren weerom de pijlers, maar deze keer zou ik ze inzetten voor culturele en af en toe ook sociale thema’s. Ik mocht tentoonstellingen uittekenen over lexicografie en over de wetenschappelijke methode, spellen en verhalen verzinnen die de Limes weer zichtbaar zouden maken, museale elementen bedenken en regisseren over Vermeer en tinkeren met draagvlak-vraagstukken. Mijn inzichten in wat hoe belevingen ons aantrekken en vormen, groeiden en verfijnden tegelijk. Die mix van lichamelijkheid, verwondering, emotie, zelfbeeld en sociale deelbaarheid werd dag na dag helderder, terwijl ik de bevindingen van Kahneman, Tversky en anderen probeerde om te zetten naar concrete toepassingen.
Het begon allemaal goed en ik haalde bijzonder veel voldoening uit de opdrachten, maar weerom lichtte het succes me voetje. Ik wou niet in dezelfde val trappen als de vorige keer, en wierf personeel aan… Maar daarvoor bleek ik helemaal niet in de wieg gelegd, heet het dan eufemistisch. Drie jaar later al was mijn Tinkerbel gaan vliegen…

2015 • ovum perplexicorum

Nog eens tien jaar later mikken we op scheepsrecht.  Content blijft een hoeksteen, de zin in maatschappelijke relevantie een andere en intussen komt er nu ook een stevige strategische pijler bij. Van experience economy ben ik doorgeschoten naar transformation economy. Het imagineeren was na Tinker uitgemond in social marketing waar ik mijn ervaring over beleven, inspireren, motiveren en appelleren ten dienste kon stellen van allerlei overheidsvraagstukken. Verder bouwend op de inzichten van gedragseconomen enerzijds en imagineers anderzijds heb ik in 2009 het 7E-model uitgetekend, dat gaandeweg steeds populairder is geworden.
Dat had ik overigens niet verwacht. Ik had het model voor mezelf ontworpen als houvast, en had eigenlijk gevraagd aan anderen om het bij te schuren en aan te passen. Dat heb ik intussen zelf ook gedaan, waardoor ik nu met 12 E’s en 7 submodellen bezig ben. Daarover wil ik de volgende weken ook wel blijven bloggen, terwijl ik ermee aan de slag ga bij overheden en diverse instellingen.

Ovum watte?

1001004004464096Ovum Perplexicorum‘ is trouwens potjeslatijn voor ‘Het Ei van Verwondering’. Dat zou netjes ‘ovum rerum perplexorum‘ moeten zijn, maar ‘perplexus‘ heeft een te negatieve connotatie, terwijl Komrij een aantal jaren geleden het heerlijke ‘perplexicon‘ boven de doopvont hield: een bloemlezing nonsensliteratuur. En gezien ik nonsens bijzonder belangrijk vind – het ondergraaft ons misplaatst vertrouwen in de waarheid van de voorgestelde wereld – kon ik die naam niet laten liggen. Ergo: perplexicorum.

De volgende jaren hoop ik mijn ei helemaal uit te broeden, al weet ik nog niet of er een kip, een uil, een struisvogel of een krokodil uit zal kruipen.

En nee, in 2025 begin ik niet nog eens…

7E’s, 12E’s

Ik ontwierp het 7E-model, dat in 2014 werd opgenomen in het beleidsplan Algemeen Regeringsbeleid als te gebruiken model voor het uittekenen van beleidsingrepen en -communicatie.

Het 7E-model is sinds het bedenken in 2009 een stuk verfijnder en rijper geworden, het bevat nu 12 E’s, en een zevental submodellen die de elementen verder toelichten…

In 2015 verschijnt het bijbehoorde handboek bij Politeia.

Een contractueel voornemen

calvin-hobbes-new-years-resolutionAh, dat heerlijke moment van het jaar waarin we voornemens formuleren. Iedereen kent het toch, of heeft er op zijn minst ooit tegenaan geschurkt. Je hebt je misschien voorgenomen om het volgende jaar meer te gaan sporten, minder te drinken, wekelijks een backup te nemen, te stoppen met roken of elke zondag je oma te gaan bezoeken, intussen gemakshalve vergetend dat je dan je favoriete voetbalploeg zou moeten missen. Je hebt jezelf vast ooit wat voorgenomen in die aanloop van een nieuw, vers jaar annex vlekkeloos lege agenda. En even waarschijnlijk heb je je er wellicht niet kunnen aan houden. Meer nog, een kleine maand later herinnerde je je het voornemen nog nauwelijks of haalde je even je schouders op wanneer iemand je je eraan herinnerde.

Warm of koud kiezen

Eigenlijk is dat niet zo vreemd, dat het ons niet zo goed lukt om ons aan onze voornemens te houden. We nemen de voornemens meestal op een moment dat de voorspelde verleiding veraf is. Volgende week, op oudejaarsavond, slechts één glaasje drinken? Geen probleem. Het is nog een week ver, ik kan me nog lekker kranig houden. Ik kan zelfs al enkele antwoorden verzinnen. “Ik ben Bob”, “Ik heb last van mijn maag”, “Ik heb dat niet nodig” of gewoon “Nee, dank je.” Kil, koel en beredeneerd reageer ik, zo’n week vooraf. Een echte Spock. “I fail to see the logic in drinking, doctor.” Ik verheug me zelfs al op de “greenblooded pointy eared goblin” verwensingen.

Maar dan is het opeens oudejaarsavond. Vijf voor twaalf. En dan wordt het me warm onder de voeten. In het heetst van de strijd laat ik me een glas cava inschenken, en nog één. Het is moeilijk cool te blijven, when you feel the heat coming around the corner. Dan ben ik opeens geen Spock meer, maar een gezellige Homer Simpson. Ratio mag vroeg naar bed, de onderbuik viert door. “Nog eentje, dan! Het laatste!”, lachen we, en intussen ontkurkt iemand al de volgende fles.

Wetenschap to the rescue

Tijdens mijn laatste 7E-workshops vertelde ik hoe je Homer toch nog een voetje kunt lichten. Je kunt de woorden van je Spock-kant contractueel vastleggen. Je kunt de gevolgen van je beslissing uitbesteden aan een persoon of instantie die zich niks van de sfeer van het moment aantrekt, die je kille kant bewaakt. Je kunt gevolgen verbinden aan je keuze die je best wel voelt. Misschien niet na één week – zo gek ben je niet – maar na een tijdje wel.
Ik heb dat inzicht niet zelf bedacht. Het werd geconcludeerd na jaren wetenschappelijk onderzoek door Dean Karlan, een professor economie en Ian Ayres, een professor rechten aan de universiteit van Yale University en Jordan Goldberg, een student aan de managementschool van Yale. Een voornemenscontract zou je kans op succes zelfs verdrievoudigen.
Heel schokkend is dat inzicht niet. Doorgaans is er niemand die je op je vingers tikt als je je doel niet haalt, maar als tik er wel is, dan wordt die belofte opeens een stuk ernstiger. Als je tien euro moet betalen elke keer dat je een glas wijn drinkt, zul je wel vijf keer nadenken voor je er naar grijpt…

StickK: van theorie naar praktijk

En omdat ik nu eenmaal graag zelf onderzoek of wel klopt wat ik vertel, heb ik zelf nu ook zo’n contract afgesloten. Op stickK.com, een site van de Yale-onderzoekers zelf, kun je zo’n voornemen in overeenkomsten gieten, mét VISA-signatuur. Je kunt ook aangeven naar wie de centen moeten.

Naar je vriendin? Nee, toch maar niet, want dat is broekzak-vestzak. Naar je kinderen? Nee, dan wordt het een vorm van lieve schenking die je eigenlijk maar al te graag geeft. 
Even overwoog ik om het aan een stichting voor homeopathie te geven. “Over my dead body!”, voelde ik meteen opborrelen, en als incentive kon dat wel tellen. Maar stel, overviel een angst me dan, stel dat ik om een of andere ongrijpbare reden toch niet tot mijn voornemen kom, geheel buiten mijn wil en vermogen om, dan kregen die dus geld van me! Nee, ook dat niet.
Ik koos deze keer dus maar voor een goed doel dat ik genegen ben. Ik koos de Holebifoon. Een ander goed doel dan die die standaard centen van me krijgt en helemaal oké, maar eigenlijk – als ik heel eerlijk ben – niet eentje dat standaard in mijn top drie van goede doelen staat. Ik ben het genegen, maar doorgaans krijgen anderen eerst. Ik zal blij zijn dat zij de centen krijgen, hoewel ik ze liever anders had besteed.

Het contract is opgemaakt, de belofte gemaakt. En nu ben ik benieuwd of mijn Spock mijn Homer in toom zal kunnen houden. Ik hou jullie op de hoogte.
Oh, mijn voornemen? 4,5 kg verliezen in tien weken tijd. Duim voor mij. Of voor de Holebifoon. Het wordt een boeiende strijd.